The Phantom Of The Opera




In ‘Amadeus’ zit een scène waarin
Mozart bij zijn collega en aartsvijand Salieri gaat klagen dat z’n
opera ‘Het Huwelijk van Figaro’ geflopt is. ‘M’n beste vriend,’
antwoordt Salieri, ‘je overschat het publiek. Je gaf ze niet eens
een luide knal aan het einde van de liedjes, zodat ze wisten
wanneer ze moesten klappen.’ Dat is alvast een fout waar je
musicalmaestro Andrew Lloyd Webber niet van kunt beschuldigen: in
al zijn producties eindigt letterlijk élk nummer met een hevige
oprisping van het orkest, opdat het publiek toch maar wakker zou
blijven. Zijn muziek is bombastisch, elke emotie wordt er
vingersdik bovenop gelegd. Een liedje dat niet eindigt op een lange
uitgerokken noooooot, liefst nog een vibratoooooo, is geen goed
liedje. Vooral niks aan het toeval overlaten, dat is Webbers motto.
En het werkt: ‘The Phantom of the Opera’ speelt al ruwweg
vijfduizend jaar, in elke stad waar ze maar een Broadway hebben,
voor uitverkochte zalen. De filmversie had heel wat voeten in de
aarde: verschillende regisseurs werden overwogen, de cast werd
samengesteld, afgekeurd en opnieuw bekeken en zo ging dat maar
voort. Uiteindelijk mocht Joel Schumacher het proberen, een man
wiens carrière gekenmerkt wordt door zowel interessante filmpjes
(‘Flatliners’, ‘Phone Booth’) als
miserabele mislukkingen (de laatste twee Batmanfilms). Het
resultaat is een festijn aan slechte smaak en klatergoud. Kortom:
een getrouwe weergave van de toneelversie.

De plot draait rond een misvormde man die in de catacomben onder de
opera van Parijs woont en als spookachtige beschermheer van het
gebouw, toezicht houdt op de dagelijkse gang van zaken – hij is
blijkbaar een muzikaal genie, en geeft privé-zangelessen aan
Christine (Emmy Rossum), een koormeisje. Wanneer de kolerieke diva
van de opera (Minnie Driver met een waanzinnig Italiaans accent),
het aftrapt op een repetitie, krijgt Christine haar grote kans om
een hoofdrol te spelen. Tot meerdere eer en glorie van het spook,
is ze fantastisch, maar de man met het witte masker is minder
tevreden wanneer blijkt dat de nieuwe beschermheer van de opera,
Raoul (Patrick Wilson), een oud lief van Christine is, die er niet
vies van zou zijn om hun vroegere relatie opnieuw te beginnen. Het
spook wordt jaloers, en daar mag u gerust een onheilspellend
mwoehahahaaa bij slaken.

Het probleem dat ik heb met de musical, is niet zozeer de muziek
als dusdanig: liedjes als ‘Think of Me’, ‘Angel of Music’, ‘Music
of the Night’ en natuurlijk het titelnummer, zijn catchy deuntjes,
die gegarandeerd nog drie dagen in je hoofd zullen zitten. Op
zichzelf is daar niets mis mee, maar wat Lloyd Webber doet in
‘Phantom of the Opera’, is dat hij tijdens de eerste 45 minuten
zowat al z’n melodieën introduceert, en vervolgens bijna anderhalf
lang niets anders doet dan diezelfde muziek herhalen in
verschillende toonaarden en op verschillende tempo’s. In de tweede
helft van de show (en dus ook van deze film), zult u absoluut niéts
horen dat al niet in de eerste helft zat. De teksten variëren, maar
de muziek valt verschrikkelijk in herhaling, wat het tempo niet ten
goede komt. Dit is een prent die 143 minuten duurt – probeer maar
eens om drie kwartier aan muziek, of je die nu goed vindt of
slecht, over een lengte van bijna twee en een half uur te rekken,
en kijk hoever je komt.

En ook is dit een musical zonder lichtpunten – àlles is even zwaar,
even barok. Zelfs in ‘Les Misérables’ kreeg je nog enig comic
relief via het vulgaire herbergiersechtpaar Ténardier, en dat was
verdorie een musical over de Franse revolutie. Hier getuigt elk
nummer van een even groot gevoel voor dramatiek, voor pathos. Simon
Callow en Ciaran Hinds als de op geld beluste financiers van de
opera dienen voor een lichte komische noot te zorgen, maar ze
krijgen lang niet genoeg tijd op het scherm om de logge,
bombastische toon van het stuk te doorprikken. ‘The Phantom of the
Opera’ is een stuk dat zich van het éne pathetisch melodramatisch
hoogtepunt naar het andere sleept. Heb je nét het Spook gehad dat
luidkeels roept: ‘Zing voor mij, engel van muziek! Zing!’, begint
dat tiep ook nog eens dingen te zingen als: “Laat je ziel je voeren
waar je wilt zijn, dan pas kun je aan mij toebehoren!” Nounou, als
je het een keertje vertaalt komt de banaliteit er toch behoorlijk
doorschemeren, vindt u ook niet?

Dat zijn allemaal problemen die eigen zijn aan de musical, en dus
niet nieuw voor de film: de muziek is hopeloos zwaar op de hand, de
teksten zijn soms tenenkrullend melig en in de tweede helft valt
Webber zo vaak in herhaling dat je je haar zou kunnen uittrekken
van frustratie. Joel Schumacher doet voor de film niets om die
problemen te verhelpen, in tegendeel zelfs, hij wentelt zich in de
vrolijke kitsch van het originele stuk. Ik veronderstel dat daar
iets voor te zeggen valt: de musical zit zo in elkaar en is al
jarenlang immens succesvol, dus waarom zou je daar iets aan
veranderen? Schumacher laat zich helemaal gaan en maakt van ‘The
Phantom of the Opera’ een eminent kitschy film, die regelmatig
verzakt in pure camp: geen enkel decor of er branden wel een paar
duizend kaarsen. Het bed van het Spook kreeg om een niet nader
bepaalde reden de vorm van een zwaan mee. Telkens wanneer Christine
in beeld komt, krijgt de camera een toepassende flou
artistique
mee – dit is onze romantische heldin, dus laten we
haar een beetje wazig in beeld brengen om te benadrukken hoe
lieftallig ze wel is. ‘The Phantom’ bàrst letterlijk van het
klatergoud, alles is er – al dan niet bewust, ik ben er nog niet
helemaal uit – een heel end óver. Lieven Debrauwer zou deze film
moeten zien: zóveel ostentatieve slechte smaak, hij zal z’n hartje
nogal kunnen ophalen.

In die zin heeft de musical de filmbehandeling gekregen die hij
verdiende. De show was kitscherig, met bombastische, repetitieve
muziek en decors die sowieso al enigszins over de top waren. De
film heeft nog steeds diezelfde bombastische, repetitieve muziek,
aangevuld met het soort van visuele spielereien waar ze in de
Amerikaanse filmindustrie nu eenmaal goed in zijn. We krijgen zelfs
een paar scènes op een mistig kerkhof, wat wil een mens nog meer?
Het getuigt allemaal van vreselijk slechte smaak, maar hey, het
publiek slikt het al twintig jaar lang, right?

Gerard Butler als het Spook slaat een nogal twijfelachtig figuur –
vocaal hoor je hem soms echt zoeken naar de juiste toon, wat zijn
geloofwaardigheid als muzikaal genie niet echt ten goede komt. Emmy
Rossum daarentegen, is veel beter – nog geen jaar geleden vluchtte
ze voor de vrieskou in ‘The Day After
Tomorrow’
, nu bewijst ze dat ze een behoorlijk stukje kan
zingen. Mijn favoriete scène is trouwens één van de meest
eenvoudige: Rossum die op een podium ‘Think of Me’ zingt. Heel even
krijgen we een moment dat niet ruikt naar pocherig, eminent
ambitieus spektakel, we krijgen een rustpunt, en het wérkt. Vooral
omdat Rossum toch zó’n ongelooflijk mooie stem heeft.

Ach ja. De fans van de musical zullen zich toch niet laten
weerhouden, en dat ze zich maar amuseren. Maar voor mijn part is
dit een oefening in slechte smaak en kitsch die z’n gelijke niet
kent – een film die kreunt onder het gewicht van z’n eigen visuele
(nóg een stel kaarsen, nóg een loodzwaar kostuum, nóg) en auditieve
pretenties (nóg een reprise van ‘All I Ask of You’, nóg ééntje!).
Voer voor de fans, dus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 × 2 =