Nick Cave & The Bad Seeds :: Abattoir Blues/The Lyre Of Orpheus

Als Nick Cave nog eens een cd wil schrijven, trekt hij naar zijn kantoor, waar hij achter zijn bureau of piano gezeten op zoek gaat naar die vonk van inspiratie. Nick Cave? Werk-ethos? Sinds wanneer wordt rock tussen negen en vijf in een kantoorgebouw geschreven? Waar, oh waar, is het met de wereld fout gelopen? En hoe kan het in godsnaam dat zo’n systeem zelfs goeie platen als deze Abattoir Blues/The Lyre Of Orpheus oplevert? Is geen enkele mythe dan meer heilig?

Nu weten wij ook wel dat songs niet zomaar van nergens komen: dat is evenzo hard labeur als een deftige recensie schrijven. Maar net als dat bij ons het beste ’s avonds gaat in het gezelschap van een glas van Iets Goeds, zo kunnen we ons ook niet voorstellen dat de drive van pakweg "Get Ready For Love" het resultaat is van een gezond dagje labeuren op kantoor. Wij willen geloven in rockgoden die achteloos, tussen twee orgieën door, een wereldplaat uit hun mouw schudden. Wij hoeven geen proza, laat ons de poëzie.

Edoch: achter een bureau gezeten, dat is de manier waarop Cave nu al twee-drie albums vol pende, en net zoals dat hoort op een kantoor, is er stevig geproduceerd. In die mate zelfs dat de nieuwe Cave een dubbelaar is. Omdat de man echter weet dat wij het moeilijk hebben met zo’n overload (zelfs The Wall vinden we in het laatste half uur zwaar dippen), heeft hij die gewoon opgesplitst in twee aparte albums. Wat het een brok verteerbaarder maakt.

Beide cd’s hebben elk hun eigen karakter dat vooral bepaald werd door de drummers: Jim Sclavunos mag er op los meppen op Abattoir Blues, Thomas Wydler doet het eerder jazzy op het rustigere The Lyre Of Orpheus. Wat ze beiden wel gemeen hebben is de introductie van een gospelkoor in de wereld van Nick Cave. Wat tot gevolg had dat aan die kantoorschrijfmanier van Cave wat werd getornd: de nummers werden voor opname met koor en band ingestudeerd en evolueerden in dat proces nog sterk.

Die interactie met het gospelkoor levert briljante momenten op als "Get Ready For Love" en "There She Goes, My Beautiful World". Helemaal te gek is echter "Hiding All Away", dat als een update van Cave’s werk uit de jaren tachtig klinkt: rauw en bluesy, maar gecounterd door het uitbundige koor. Dat dan wel zingt "there is a war coming". Het kan niet allemaal zonneschijn zijn. Single "Nature Boy" klonk op de radio onsmakelijk poppy voor een Nick Cave-nummer, in de context van Abattoir Blues vindt het zijn plaats als bedaarde mid-tempo song. En daar zijn wij blij om. Even vreesden we immers dat het de eerste uitschuiver van onze kraai zou zijn.

The Lyre Of Orpheus hanteert een volledig andere toon. Met het titelnummer wordt nog wel afgetrapt op een manier die op The Firstborn Is Dead (1985) niet had misstaan, verderop horen we hier meer de Nick Cave van The Boatmans Call: ingetogen pianoballads als "Easy Money" waarin het gospelkoor op de achtergrond inkleurt. Zelfs als het in "Supernaturally" iets meer up-tempo mag blijft alles nog erg licht, met dank aan de erg functioneel invullende Bad Seeds. Hier valt het vioolspel van een Warren Ellis meer op dan in de auditieve aanval die Abattoir Blues is.

Dit is bekend vreten: sinds No More Shall We Part lijkt Nick Cave zijn stijl gevonden te hebben, en deze twee nieuwe cd’s wijken daar niet van af. Het is ook een goeie nieuwe worp: Cave blijft op zijn niveau presteren, we kunnen ons zelfs geen slechte Cave-plaat herinneren.

En toch worstelen we met de vraag wat we hier nu mee aanmoeten. We weten immers dat deze plaat niet vaak meer uit onze cd-toren zal gehaald worden. Willen we iets van Nick Cave horen, dan is dat onvermijdelijk eerder Let Love In of vroeger werk. Het is iets waar we wel vaker mee in de knoop liggen bij artiesten die al een lange staat van dienst hebben en ons niet meer weten te verrassen. Laat dit de eerste interactieve recensie zijn en vertel ons op ons forum hoe ù hierover denkt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een + 13 =