Eén sabatjaar mochten er geen twee worden. Met drie knallers van headliners wilde de Belgische festivalpoging van boekingskantoor FKP Scorpio – het Duitse Live Nation, zeg maar – afgelopen weekend nogmaals een gooi doen om van dat Antwerpse Live Is Live een blijver te maken. Het zou wel eens kunnen lukken.
Het blijft een wat apart, maar daarom niet compleet bezopen concept: drie concertavonden op rij met elk hun eigen sfeer en headliner. Wie zaterdag voor Robbie Williams kwam, zou ongetwijfeld niet blijven voor Nick Cave ’s anderendaags – laat staan voor Iron Maiden, verloren gelegd op een maandag. Het scheelt meteen in campingkosten: elke avond iedereen naar huis.
Zo ging het, met de pandemie net achter de kiezen, een eerste keer in Zeebrugge in 2022. Het jaar nadien werd verhuisd naar de Antwerpse Linkeroever, waar die Middenvijver zich een fijne festivallocatie toonde, en The War On Drugs en dEUS goeie headliners waren. Editie 2024 zag topnamen komen als The National, Editors en The Smashing Pumpkins, maar 2025 werd het jaar van net niet. De organisatie vond geen grote namen met standing, en besloot een jaar over te slaan.
Is 2026 het jaar van de revanche? Afgaand op de affiche toch half. De toppers bovenaan zijn alle drie respectabel, de aanloop ernaar is echter even veel keer mager, niet het soort volk dat een mens per se op de middag al richting wei drijft. Dat de gratis tickets, zoals de voorbije jaren, ook nu weer rond de oren vlogen, dreef het cynisme over het lot van dit festival richting zo’n kookpunt dat zelfs de Belgische FKP Scorpio-baas Jan Digneffe zich genoodzaakt zag een paar puntjes op de i te zetten: een festival hoeft niet uitverkocht te zijn, het wordt gezellig, niets aan de hand.
En zie. Op Dag Twee, die van Nick Cave, was het toch aardig koppen lopen. Al van bij Eefje de Visser (invaller voor de afzeggende Lykke Li) stond het veld vol genoeg om jezelf een respectabel festival te noemen. Johnny Marr, die nadien kwam, is ook niet zomaar iemand, maar – zo sprak presentator Bent van Looy – “de man die liet horen dat gitaren ook konden rinkelen”. En daar heeft hij geen beetje gelijk in. Al klonk de omschrijving dat hij “het geluid van de twintigste eeuw veranderde” toch een beetje overtrokken, dit is niettemin de gitarist van The Smiths, een band die niet onterecht wordt gezien als The Beatles van de jaren tachtig, een groep die bijna veertig jaar na zijn split nog altijd een nadrukkelijke stempel heeft achtergelaten.
En toch zie je dat dit “de gitarist van” was. Marr is niet de man van het charisma, wel een oude rocker die hier met zijn maten wat komt spelen. Dat de drum niet op een verhoog staat, maar op dezelfde vloer als de andere muzikanten, versterkt dat gevoel nog: jongens onder elkaar. En die knallen er op erg degelijke wijze songs uit als “Armatopio” of een “Generate! Generate!” waarin je voor het eerst denkt “die gitaar!” En dat gaat dan gewoon over het geluid. Het is pas wanneer hij in derde positie “This Charming Man” inzet, dat je denkt “dié gitaar!”. Want ja, dat is er eentje van The Smiths, en dat voel je; niet alleen aan de reactie van het publiek – die schrille kreet ergens naast me! – maar ook aan de begeesterende zanglijn waarin je Morrissey niet eens al te hard mist. Hij mag ze dan verzonnen hebben, een ander kan die tekst ook overtuigend zingen.
En anders laat Marr wel gewoon weer dat instrument spreken. “Please, Please, Please, Let Me Get What I Want”, van dat illustere groepje, leidt hij in met indrukwekkende fingerpicking. Ook zo krijgt hij dat veld wel muisstil voor deze kleine ballad. Het is gitaarpatsen zonder aanstellerij, want die heeft hij niet nodig; het is zo wel duidelijk, en anders voel je het wel bij dat “How Soon Is Now?”, dat hij er achteloos achteraan gooit. Je hoort hoe in al die gitaareffecten hoe het zaadje van shoegaze hier werd geplant. Het is verbluffend hoe goed het klinkt, hoe weinig je Morrissey hier mist, of het zou voor zijn soort onbestemde star quality moeten zijn. Maar goed, hebben we ook geen extreem-rechts gezeik over buitenlanders te verstouwen; elk nadeel heb zijn voordeel.
Met “Spin” speelt Marr een matig nieuw nummer dat wat dreint over een ploegende basdrum, maar zelfs dan is er weer Die Gitaar. Marr weet het, en neemt ze mee op wandel. Zijn even eigen “Easy Money” kletst er dan weer wel lekker in, en wanneer hij droog “let’s play a discosong” zegt, hoop je al “hang the dj”-zingend van “Panic”, maar het blijkt “Getting Away With It” van Electronic, het zijproject dat hij er ooit met Bernard Sumner van New Order op na hield; ook goed. Dat het een eindeloos noodlende versie is, waarbij de gitaar wat van The Cure leent? Minder, dan weer. En die cover van Iggy Pop’s “The Passenger” is al helemaal onnodig, als daarvoor in de plaats sowieso een extra Smithsnummer beter had gepast. Maar hé, daar is alweer slotsong “There Is A Light That Never Goes Out”. Hoor ik u nog? Marr in elk geval niet, want die legt dat meezingen stil met een “Sorry, but this is rubbish”. Een grijnsje volgt als we het beter doen, en dan een “alright, then”. Precies wat we van dit optreden vonden: best ok, maar echt hoog legde het de lat niet voor zichzelf.
Misschien was het omdat hij wist dat Nick Cave & The Bad Seeds nadien sowieso gewonnen spel hadden. Beginnen met een daverend “Get Ready For Love” terwijl een gospelkoor achter je van jetje geeft, en meteen daarna “From Her To Eternity”? Daar valt met geen legendarische gitaar tegen op te soleren. Cave – die op vermakelijke wijze meer en meer op Julio Iglesias gaat lijken – inspireerde, domineerde en triomfeerde. “We’re big in Antwerp, don’t know why that is”, merkte hij op. “Aaah, it’s a love thing.” En zo had “Fucking Antwerp” hem maar meteen omarmd.
Nog steeds duikt hij gretig het publiek in. Nauwelijks twee nummers ver stond hij met zijn achtenzestig jaar op een zee van uitgestrekte handen, minuten later nam hij een fractie van een song plaats achter zijn piano, om al meteen weer vooraan de boel te gaan opzwepen. “Train Long Suffering”, het nummer in kwestie, is oud en van brute snit en wordt deze tour voor het eerst in eeuwen nog eens van onder het stof gehaald. Blijkt dat het daar perfect oud zat te worden, en dat het een gospelkoor als gegoten zit.
Oud werk, nieuw werk, er zit geen zwak nummer tussen. “Wild God”, het titelnummer van ’s mans recentste plaat, is zelfs een eerste hoogtepunt. “Bring your spirit doooown” staat Cave het publiek in de finale op te jutten; “Oh Children”, ooit een weinig opzienbarende albumtrack, is met behulp van een Harry Potterfilm en alweer die achtergrondzangers, uitgegroeid tot een klassieker die in deze liveversie staat als een huis. Prachtig ook hoe Warren Ellis er een heerlijk valse viool doorheen durft jagen. Het is, met alle afgezegde festivals van zaterdag, even opschrikken bij die bekende onweersklanken, maar dat is nog altijd hoe “Tupelo”, terwijl de zon ter kimme zakt, begint. Cave laat zijn piano enkele seconden dansen, vooraleer de dreiging als een onstuitbare vloed donkere onweerswolken van het podium rolt.

Als Cave echter één ding geleerd heeft in dat laatste decennium waarin hij, al rouwend om zijn gestorven zonen, een nieuwe live-vorm ontwikkelde, dan wel: intimiteit creëren. Ook vanavond is het weer naar adem happen bij de treurzang “Bright Horses”, maar het is net ervoor “Rings Of Saturn” dat nog iets sterker ontroert. “And this is the moment this is exactly what she is born to be / This is what she does and this is what she is”, herhaalt Cave als een mantra, en hoe impressionistisch de rest van Caves ooit geïmproviseerde tekst ook is, je voelt veel.
“Red Right Hand” is de wat platgespeelde enige ambassadeur van het nochtans onvolprezen Let Love In uit 1993, maar hakt er op Live Is Live voor het eerst sinds lang nog eens stevig in. Cave zit ondertussen op handen en knieën op zijn publiek, leidt het in een “naa-nananaa”-chant. Het is op zo’n momenten dat je voelt hoe Cave veranderd is sinds die jaren tachtig en negentig waarvan hij de oppervleermuis was. Het is die nabijheid, het toelaten van anderen die zijn vroegere zelf nooit had toegestaan. Waar hij ons toen stug op afstand hield, leunend op een dreigende uitstraling, dan omarmt hij nu dat dit is wat men van hem wil, dat dat is wie hij is; een modern soort Mijnheer Pastoor. Al kan hij het toch niet laten om het nummer pesterig een kort, explosief einde mee te geven. Als om aan te geven dat hij nog altijd de baas is.
Even eigenzinnig is de keuze om te eindigen met “Hollywood”, een lang uitgesponnen meditatief stuk uit de knappe, maar bijzondere plaat Ghosteen. Monotoon, zwaar en donker kroop het naar zijn einde terwijl Cave zijn gewoonlijke brom liet evolueren naar een verloren falset, om uiteindelijk te eindigen in “I’m just waiting now for peace to come / For peace to come”. En met een arm om de schouder van Ellis is hij weg.
In de bisronde nog even de korte samenvatting. “City Of Refuge” is een heel oude, “Wide Lovely Eyes” een recenter. Tussendoor wordt eindelijk nog eens “The Weeping Song” bovengehaald, maar helaas laat Cave het opnieuw ontsporen in een vreemd en onnodig klapspelletje met het publiek. We missen oude gitarist Blixa Bargeld, die dat soort ongein ongetwijfeld nooit had getolereerd terwijl hij de vaderstem zong. U maakt het ondertussen allemaal niet meer uit, u staat, als ware dit een misviering, devoot mee te zingen met “Into My Arms”, het solo gebracht slotnummer waarvan Cave weet dat hij het niet niét kan brengen. “Fucking Antwerp” is op dat moment al lang bekeerd, Cave zijn ster schijnt alweer wat harder.




Nick Cave was top. De organisatie was een flop. Als men geen “Gouden Cirkel” kan organiseren, vraag dan gewoon een eenheidsprijs. Na elk concert het publiek dat een duur kaartje betaalde uit de cirkel verdrijven is gemeen en respectloos. De organisatie behandelde zijn publiek als vee. Jammer dat uw recensent dit onbehandeld laat. Alhoewel men iedereen toeliet bij Johnny Marr en voorgaande stond de cirkel nooit vol omdat wie dicht wou staan bij Nick Cave de cirkel niet mee betrad maar aan de kant bleef.
Wel jammer dat er geen woord werd geschreven over Benjamin Clementine!!!