Windtalkers



130 min. / USA

Daar gaan we weer. Ze krijgen er echt geen genoeg van in
Amerika om hun actiefilms te vermommen als oorlogsdrama’s. Wat
hebben we de laatste paar jaar al niet allemaal in de maag
gesplitst gekregen? ‘Pearl Harbor’,
‘Black Hawk Down’, ‘We Were Soldiers’… Allemaal films die
ongeveer hetzelfde zeggen: hoera voor de Amerikanen. Windtalkers is
niet meer of minder dan een zoveelste voorbeeld van deze trieste
tendens; een actiefilm die zich voordoet als een oorlogsfilm, een
behoorlijk racistisch pamflet vermomd als een anti-racistisch
verhaal.

Het verhaal draait rond een speciale code die tijdens de Tweede
Wereldoorlog werd ontwikkeld om een veilige communicatie tussen de
soldaten in het veld en de thuisbasis mogelijk te maken. Navajo
indianen werden gerukruteerd om de code te spreken, gebaseerd als
ze was op hun oorspronkelijke taal. De Japanners hebben deze code
nooit kunnen breken, en ze was, zoals de film het vertelt in haar
eindtekst, van enorm belang in de inname van Japanse eilanden als
Saipan.

Het grootste probleem met ‘Windtalkers’, is dat de film zich
aandient als een verhaal over deze indianen, maar dat hij dat nooit
wordt. Het echte hoofdpersonage is Joe Enders, (Nicolas Cage), een
ijzervreter zoals we die sinds de tijden van John Wayne niet meer
hebben gezien. Zijn rechtertrommelvlies ligt aan flarden en zijn
geestelijke gezondheid hangt ook maar aan een zijden draadje, maar
woest als hij is, weet hij zich door de fysieke controles heen te
manouvreren om toch maar terug in actie te kunnen komen. Enders
krijgt één van de Indiaanse codesprekers toegewezen als
beschermeling. Adam Beach speelt Ben Yahzee, een Navajo met brede
schouders en een fiere blik in z’n ogen, die in principe de hele
film lang achter Enders moet aanlopen met een radio op z’n
schouders. Enders heeft opdracht gekregen de code ten alle kosten
te beschermen, wat betekent dat hij, indien nodig, Yahzee
persoonlijk een kogel tussen de ogen moet jagen om te vermijden dat
hij gevangen genomen wordt.

Dat is dan de plot: een verhaal over indianen, dat niet over
indianen gaat. Alles wordt gezien vanuit de veilig blanke ogen van
Cage en, in mindere mate, zijn collega Christian Slater. Waarom zou
dat zijn? Vertrouwt dan niemand in Hollywood de Navajo’s om voor
zichzelf te kunnen spreken? Wat je hier krijgt, is een nogal bitter
smakende vorm van positief racisme: men probeert zo krampachtig om
niét racistisch te zijn, dat men het toch weer wordt. Neem nu
bijvoorbeeld de racistische blanke personages uit de film: vanaf
het begin is het duidelijk dat ze niets met de plot te maken
hebben, maar enkel dienen opdat de filmmakers zouden kunnen zeggen
dat ze het onderwerp niet uit de weg zijn gegaan. Er worden enkele
waanzinnig ongeloofwaardige conflicten verzonnen tussen Yahzee en
deze racisten, maar nergens wordt er echt op ingegaan.

En wat daar tegenover wordt gesteld, is een haast misselijkmakend
Amerikaans patriottisme. Wanneer iemand Yahzee de niet onlogische
vraag stelt wat hij hier komt doen, in een oorlog die de zijne niet
is, antwoordt hij: “Ik kom vechten voor mijn land.” Zich er
schijnbaar niet van bewust dat zijn land jaren eerder al werd
gedecimeerd door dezelfde mensen aan wiens zijde hij nu staat te
vechten. Maar dat soort van opmerkingen maakt de film niet; wat we
krijgen, is een zoveelste shot van een trots wapperende Amerikaanse
vlag.

Daar komt nog bij dat de historische waarde van de film quasi nihil
is. We krijgen de ene gevechtscène na de andere, maar wanneer de
Navajocode gebruikt wordt, is dat om tijdens een veldslag zelf
coördinaten door te geven waarop zich vijandelijk geschut bevindt.
Dat hadden ze even goed in het Engels kunnen doen, aangezien die
kannonnen niet zo snel verplaatst kunnen worden door de Japanners.
Ik weet nog steeds niet op welke manier de code nu zo belangrijk
was – hoewel ik graag aanneem dat hij dat was.

Regisseur van dienst is John Woo, normaal gezien een zeer
gerespecteerde visuele stilist. Kijk naar eerder actieprojecten als
het Hong-Kongse ‘The Killer’ of het Amerikaanse ‘Face/Off’: de man
orchestreert zijn geweldscènes als waren het balletopvoeringen, met
herhaaldelijk gebruik van slow-motion om een emotionele dimensie te
geven aan de actie. Wellicht de grootste teleurstelling van
‘Windtalkers’, is dat Woo vergeten is hoe hij actie moet filmen. De
kogels vliegen je rond de oren en bommen gaan langs alle kanten af,
maar het heeft geen stijl. De Japanners lijken wel van die
bordkartonnen doelwitten die hier en daar vanuit het struikgewas
overeind floepen, en Cage is uiteraard de Rambo die hen allemaal
naar de andere wereld dient te helpen. Let wel: Cage, en niet Adam
Beach.

Zoals steeds bij dit soort van wall-to-wall action oorlogsfilms,
word je, willen of niet, herinnerd aan het begin en einde van
Spielbergs ‘Saving Private Ryan’.
Wat Spielberg daar in totaal 40 minuten deed, doet John Woo nu 130
minuten lang. Maar hij kan zijn voorbeeld niet overtreffen, in
tegendeel zelfs. De emotionele connectie is namelijk weg, we zien
geen mensen die sneuvelen, maar mannetjes uit een videospel die
neergaan.

Het gebrek aan personages waar je iets voor kunt voelen, aan
geloofwaardige actiescènes of aan plot (want zeg nu zelf: waar gààt
het nu eigenlijk over?), zorgen ervoor dat ‘Windtalkers’ op een
zeer luidruchtige straf gaat lijken, die je uitzit als je wachttijd
bij een tandarts. Hoeveel doden moeten er nog vallen vooraleer het
gedaan is?

Nog een laatste opmerking: nog voor de film een half uur bezig was,
had ik vijf gelegenheden geteld waarbij het bloed op de camera
spatte. Toen ben ik opgehouden met tellen, maar het gebeurde nog
vaak. Een tip aan alle beginnende filmmakers die ooit iets met
actie willen doen: als het bloed op de lens spat, veeg die dan
af.

http://www.mgm.com/windtalkers/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 5 =