Seven





Voor David Fincher zich tot fascist liet uitroepen voor ‘Fight Club’, en voor hij van zuivere mooifilmerij werd beschuldigd met ‘Panic Room’, verdiende hij zijn reputatie als belangrijke filmmaker met ‘Seven’, na ‘The Silence Of The Lambs’ wellicht de enige serial killer-thriller die ook buiten de beperkingen van het genre een goeie film blijft. De enige die buiten een degelijke plot ook nog méér te bieden heeft.

Het verhaal is u waarschijnlijk welbekend: rechercheur Somerset (Morgan Freeman) wordt tijdens zijn laatste week opgezadeld met een jongere collega die hem zal opvolgen, David Mills (Brad Pitt). Wat mooi is aan het team van deze film, is dat ze de gemeenplaatsen overstijgen. Ik bedoel, een white cop, black cop team, dat is toch een huizenhoog cliché? Maar hier hebben de twee flikken het niet zo voor elkaar, ze verschillen als dag en nacht: Somerset is een bedaarde intellectueel die met een sombere blik (Freeman op z’n best) door het leven stapt. Hij heeft alles al gezien, en aanvaard, hoewel het hem niet bevalt. Mills is een gretige jonge hond, niet al te slim, die denkt de wereld te kunnen verbeteren. Deze twee zijn blank en zwart in meer dan één betekenis.

Enfin, zoals u weet gaan de twee achter een seriemoordenaar aan die zijn moorden pleegt aan de hand van de zeven hoofdzonden, wat leidt tot één van de spannendste, meest schokkende eindscènes uit de recente filmgeschiedenis. Een einde met een doos, en de inhoud ervan.

Het idee van zonde en boetedoening is erg levendig bij David Fincher. In zijn eerste film, ‘Alien 3’, wordt Sigourney Weaver in een ruimte-gevangenis vol religieuze gekken gedropt, die als monniken boete willen doen voor hun misstappen. En wat te zeggen over ‘Fight Club’, en de morele conclusies die we uit die film kunnen trekken? Net zo is ‘Seven’ een film die zich afspeelt in een troosteloze wereld van zonde en verval. Een wereld waar het altijd regent, en waar de zeven hoofdzonden hoogtij vieren. Zoals één van de personages het op het einde zegt: ‘We zien elke dag een zonde gebeuren, maar we accepteren het. Omdat het normaal is. Omdat we het hebben aanvaard als de gang van zaken.’ Ondanks de functie van het personage op dat punt in de film, valt het te merken dat Fincher, en zijn scenarist Andrew Kevin Walker, het met hem eens zijn. ‘Seven’ is onophoudelijk pessimistisch in zijn wereldvisie; misdaden blijven ongestraft, de goede wint niet automatisch en zonde kan enkel met zonde bestraft worden. En die makelaar heeft een reden om je steeds maar vijf minuten tegelijk in je flat toe te laten.

Stilistisch vertaalt zich dat in een erg grijze film, vol donkere kleuren waarin het soms moeilijk is precies te zien wat er gebeurt. Regen valt neer, zaklampen moeten de boel belichten, donkere gangen en steegjes duiken overal op en als achtergrondmuziek bij dit troosteloze stadsleven krijgen we de klanken van gegil, sirènes en bonkende technomuziek, zoals die gespeeld wordt in vuile, deprimerende hoerenkoten. Als er een hel bestaat, dan is de duivel een dj die er de hele tijd techno draait.

Fincher filmt vaak vanuit een kikvorsperspectief, kijkt op naar zijn personages, gedeeltelijk omdat dat meehelpt met de sfeer, maar voor een groot gedeelte ook omdat je dan gewoon de regen beter ziet, kan ik mij voorstellen.

Met sfeer kom je in deze film al een heel eind; de fotografie helpt natuurlijk, maar onderschat de inbreng van de acteurs niet: het nummertje dat Morgan Freeman opvoert als mistroostige flik is zo indrukwekkend, dat men hem sindsdien in talloze mindere films heeft gevraagd het opnieuw op te voeren. De weltschmerz druipt gewoon van z’n gezicht af, z’n warme stem deelt ons mee: this isn’t gonna have a happy ending, en we geloven hem.

Brad Pitt brengt precies de juiste agressie naar zijn rol, als een eenvoudige man die een simpele liefde voelt voor z’n vrouw en z’n honden, en met een zekere vervreemding tegenover de somberheid van Freeman staat. De twee vullen elkaar echt goed aan, maar de show wordt uiteindelijk gestolen door Kevin Spacey – de man z’n carrière kwam gelijk definitief van de grond.

Wat een lef moet ervoor nodig zijn geweest om deze film te draaien: een deprimerende detectivethriller die meer over zonde in de wereld vertelde dan over wie de moordenaar is en waarom. Een verhaal waarin verklaringen vaak ver te zoeken zijn, en een verlossend gelukkig einde nog veel verder. Je merkt dat ‘Seven’ is gemaakt door jonge mensen, die niet bang waren een risico te nemen – ze hadden ook weinig te verliezen. Dit is een film met zo’n inktzwarte mentaliteit dat abortus wordt aangeraden in plaats van een kind op deze verdorven wereld te zetten; als dàt niet somber is, dan weet ik het ook niet meer. Om nog maar te zwijgen over de diverse, creatieve manieren waarop de moorden gebeuren.

Wat dat betreft is de fantasie van het publiek haar eigen ergste vijand: David Fincher heeft ooit verteld dat een vrouw hem na een voorvertoning aanklampte om haar beklag te doen: “Je had nooit mogen tonen wat er in die doos zat.” Dat had hij ook niet gedaan, maar de fantasie van de dame wel. Wat ook precies Finchers bedoeling was. Hij speelt met suggestie, en zijn instrumenten zijn licht, camera en mise-en-scène, allemaal onderdelen van de kunst die hij beheerst als een ancien, ook al was dit pas zijn tweede film.

Bepaalde scènes werden wel iets te nadrukkelijk geschreven; ik kan aannemen dat Pitts personage dom dient te zijn, maar om hem nu waterglazen vol wijn te laten schenken of studentenedities van het Inferno en van The Canterbury Tales zijn bureau in te laten smokkelen? Nààh, dat gaat dan weer net iets te ver.

Maar goed, laat dat de pret niet drukken. Seven is één van dé films van de jaren negentig. Wie hem nog niet gezien heeft, moet dat maar snel doen. Wie hem al wel gezien heeft, weet waarom hij zo goed was. Voilà.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

12 − acht =