Inside Llewyn Davis

Alleen al de affiche van Inside Llewyn Davis, de nieuwe film van de gebroeders Coen, is veelbetekenend. Het is een hommage aan de beroemde cover van de plaat The Freewheelin’ Bob Dylan, waarin de zanger over de besneeuwde straten van New York loopt met zijn vriendin Suze Rotolo aan zijn zijde. Het winterachtige New York is ook present op de filmposter en hoofdpersonage Llewyn Davis wordt in een gelijkaardige pose gefotografeerd. Alleen loopt hij op zijn eentje, met enkel een kat in zijn handen. Inside Llewyn Davis is dan ook het portret van een (fictieve) Bob Dylan die nooit is doorgebroken. Een artiest die anderen succesvol ziet worden, maar zelf aan de zijlijn blijft staan. En aangezien het een film van de Coens is, is het ook een komedie.

Oscar Isaac (tot nu toe bekend van bijrollen in Robin Hood en, God help ons, Sucker Punch), speelt Llewyn Davis, een folkzanger die probeert te overleven in het New York van 1961. Tot voor kort maakte hij deel uit van een duo, maar sinds zijn partner zelfmoord pleegde, is hij op de dool geraakt. Hij slaapt elke nacht op een andere sofa, maakt misbruik van zijn vrienden en moet zien te overleven van de zeldzame optredens die hij kan scoren. Zoals zijn vriendin Jean (Carey Mulligan) hem toesnauwt: “Jij bent een omgekeerde koning Midas. Alles dat je aanraakt, verandert in stront.” We volgen één week uit het leven van Llewyn Davis, waarin hij geconfronteerd wordt met de keuze om zijn leven om te gooien, of gewoon in cirkeltjes te blijven draaien.

Het is verleidelijk, zeker voor muziekliefhebbers, om Inside Llewyn Davis te behandelen als een soort film à clef voor de folkscène van het begin van de jaren zestig. Zo zou je kunnen zeggen dat Llewyn Davis een soort loser-versie is van Bob Dylan, terwijl Carey Mulligan, Justin Timberlake en Stark Sands worden opgevoerd als een trio, losjes gebaseerd op Peter, Paul and Mary. De cover van Llewyn Davis’ plaat in de film is dan weer expliciet gebaseerd op de cover van Inside Dave Van Ronk, een folkplaat uit 1963. En zo kan je doorgaan. Met een beetje goede wil kan je alle personages wel herleiden naar een (kinda, sorta) tegenganger in het echte leven, maar uiteindelijk is dat hooguit een amusant spelletje voor de liefhebbers. Gelukkig gaat Inside Llewyn Davis over meer dan dat.

Op een gekke manier roept de film herinneringen op aan de schitterende tragikomedie Wonder Boys, waarin Michael Douglas een wiet rokende schrijver speelt, die al jaren niets meer heeft gepubliceerd en zich afvraagt of hij het nog heeft. Ook daar ging het immers over iemand met talent maar een zwak karakter. Inside Llewyn Davis is het portret van een artiest die er maar niet in slaagt om de controle over zijn eigen leven te krijgen. Zijn bestaan is in feite een eindeloze pechdag en hij heeft de wilskracht niet om er iets aan te doen. De Coens presenteren dat personage overigens zonder te oordelen of te bespotten. Llewyn Davis is een intelligente, sarcastische man, eindeloos gefrustreerd door de manier waarop de hele wereld hem lijkt tegen te werken – en wie heeft dat nooit meegemaakt?

Dat alles zit verpakt in een weemoedige tragikomedie, die op een prachtige manier understated blijft. De dialogen zijn scherp, maar op exact de juiste manier om ook niet te veel de aandacht op zichzelf te vestigen. De broertjes zijn altijd op hun grappigst als ze in een ander genre werken dan de komedie (A Serious Man is bijvoorbeeld een veel geestiger film dan The Ladykillers, om maar iets te zeggen); ze hebben het blijkbaar nodig om hun humor te doorspekken met iets anders, of dat nu een thrillergegeven is of een dramatische verhaallijn. In Inside Llewyn Davis krijgen we heel wat pijnlijke, soms gênante situaties, die grappiger worden naarmate ze meer oncomfortabel worden. Een etentje met vrienden dat ontaardt in een ruzie over het scrotum van de kat, is wellicht het beste voorbeeld, maar laten we vooral de bijrol van de altijd fantastische John Goodman niet vergeten – zijn personage is hilarisch en intriest tegelijk, in de beste Coen-traditie.

De Coens wekken het New York van begin jaren zestig tot leven met veel oog voor detail, maar zonder dat ze toegeven aan de verleidingen van het period tourism van veel films. Geen opzichtige close-ups van voorwerpen of kleren uit die tijd, geen buitengewone aandacht voor de auto’s. De Coens creëren hun wereld en focussen zich daarna op de personages. Hun vaste cameraman Roger Deakins is deze keer niet van de partij, maar Bruno Delbonnel bewijst zich een waardige vervanger. Het is moeilijk om er een individueel shot uit te pikken dat specifiek indrukwekkend is, maar de film baadt wel in een koude, kille sfeer, die perfect past bij de manier waarop het hoofdpersonage de wereld ervaart. Zoals altijd bij de Coens, zie je dat er over elk beeld lang is nagedacht, en dat trekt zich door naar de sets: let op het gebruik van lange, doodlopende gangen en het doorrookte en doorleefde ontwerp van de cafés waar Llewyn speelt.

Oscar Isaac is een revelatie in de hoofdrol. Tot nu toe was hij veroordeeld tot bijrollen in films die lang niet altijd even memorabel waren, maar het is indrukwekkend hoe hij hier verbittering kan combineren met gevoeligheid. Llewyn blijft sympathiek, hoe zwak hij ook wordt en hoezeer je hem soms ook een mep zou willen verkopen. Carey Mulligan is goed, maar speelt ook zeker niet haar beste rol als Jean, terwijl Justin Timberlake verrast in een sterke karakterrol – voor regisseurs van het kaliber van de Coens is hij blijkbaar bereid om zijn ego opzij te zetten, en dat doet hem goed.

Kortom: Inside Llewyn Davis is een Coen grand cru. Melancholisch, bitter, grappig, inzichtrijk, sfeervol en gooi er nog maar wat woorden tegenaan. De winning streak waar de broertjes aan bezig zijn sinds No Country for Old Men duurt nog even voort.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in