Bob Dylan :: Tempest

Wanneer iemands carrière de volle vijf decennia beslaat, is het bang afwachten wat een nieuwe plaat gaat brengen. Zeker als die carrière de nodige ups en downs gekend heeft. Met Tempest, album nummer 35, blijkt echter dat Bob Dylan nog steeds in een creatief sterke periode zit.

De voorsmaakjes die de voorbije weken gelost werden, leken echter op het tegendeel te wijzen. “Early Roman Kings” klonk te gezapig en repetitief om écht te boeien en single en plaatopener “Duquesne Whistle” is een deun die vlot blijft hangen maar daarmee is zowat alles gezegd. “Orinoco Flow” is ook een nummer dat met geen stokken uit je hoofd te krijgen is maar dat wil nog niet zeggen dat je het zou meenemen naar een onbewoond eiland, gesteld dat daar een platenspeler te vinden zou zijn.

Die twee nummers blijken echter de zwakste schakels in wat verder een verrassend sterke plaat is. Dylan voert immers geen radicale koerswijziging door en blijft verder gaan op het pad dat hij vijftien jaar geleden, bij het verschijnen van Time Out Of mind, insloeg. Dat betekent: opnieuw een plaat die zeer old school klinkt, geurt naar de grandeur van de roaring twenties en uitpakt met de plechtstatigheid waar, ironisch genoeg, in de sixties komaf mee werd gemaakt in de populaire cultuur.

De liefde die Dylan bezingt in “Soon After Midnight” is dan ook niet meer licht ontvlambaar zoals ooit het geval was in “Can You Please Crawl Out Your Window?” maar vooral zacht en, ook nog steeds, smachtend: “It’s soon after midnight/And I want nobody but you” klinkt het enigszins raspend. Maar die stem, die het laatste decennium eerder een risicofactor was, heeft nu een bepalende plaats in de muziek.
Zelfs al versta je geen woord van de openingsregels van het nummer, tijdens “Pay In Blood” past Dylans dierlijke brom perfect bij het grimmige karakter van het nummer. In “Tin Angel” wordt de tekst in stukken gekapt, wat zowaar bijdraagt aan het ook hier weer dreigende karakter van de song.

Het is immers verre van rozengeur en maneschijn op Tempest, een plaat waarvan samenzweringsfans (dankzij de titel die verwijst naar Shakespeares laatste, The Tempest) geloven dat het een afscheidsplaat is. Maar ondanks de veelvuldige gebroken harten en kommer en kwel, klinkt het nagenoeg allemaal meeslepend. De bijna een kwartier durende titelsong roept bijvoorbeeld onwillekeurig echo’s op van verborgen parel “Black Diamond Bay” (uit Desire). Al is het hier geen eiland dat in de zee verdwijnt maar de Titanic, en heeft “Tempest” géén refrein, enkel ruim veertig strofes, die het verhaal van de meest beroemde scheepsramp op bij momenten gruwelijk gedetailleerde wijze uit de doeken doen.

Durfde Dylan in het verleden al eens aan namedropping doen — Alicia Keys en Neil Young passeerden het afgelopen decennium de revue in zijn songs — dan krijgt John Lennon een eigen nummer: “Roll On John” sluit Tempest op emotionele wijze af. Nadat hij begin jaren zeventig al een aanbevelingsbrief naar de migratiedienst van de VS stuurde om Lennon in het land te houden, brengt Dylan nu een muzikaal huldesaluut aan zijn oude makker. “Roll On John” is een even ontroerend als ongemakkelijk einde van een mooie plaat.

Want Dylan serveert al een hele poos niet meer de opwindende brokken van weleer, wat hij vandaag brengt, is bovenal mooi. Soms op zijn eigen afgeleefde manier, als een versleten broek die je maar niet kan weg gooien omdat ze zo goed zit. Soms op ronduit ontroerende wijze. Tempest is misschien niet de klepper waar je stiekem op gehoopt had, maar evenmin is het de draad waarvoor gevreesd kon worden. Integendeel: Tempest is een van de beste zondagavondplaten die er te krijgen zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zestien − negen =