In 2022 bleek Baz Luhrmann de geknipte regisseur om een biografische film te maken over het leven en de carrière van Elvis Presley. De Australiër bewees met Romeo+Juliet, Moulin Rouge en The Great Gatsby al meermaals behoorlijk vies te zijn van het credo ‘less is more’, en dat kan je zonder enige twijfel ook zeggen over The King, wiens exuberante stijl steeds grotere proporties aannam om uiteindelijk te pieken tijdens zijn periode in Las Vegas. De film en zijn succes waren voor Luhrmann uiteindelijk onvoldoende om een straffe ode te brengen aan zijn grote idool. En gelukkig maar, want EPiC – meer concertfilm dan documentaire – kan je onmogelijk wegzetten als een extraatje voor enkel de meest rabiate fans.
Maar wat anders kan je ook doen wanneer je 68 (!) dozen in de hand gestopt krijgt die tjokvol zitten met nooit eerder vertoonde concertbeelden (hoofdzakelijk 35- en 8mm-negatieven) en uiterst zeldzame geluidsopnames? Het verhaal wil dat deze schat aan informatie blijkbaar stof lag te vergaren in een ondergrondse zoutmijn die eigendom is van Warner Bros. De vraag ‘waarom’ beschouwen we dan maar even als secundair. Het feit dat net Luhrmann en zijn team deze ontdekking deden tijdens de voorbereiding van Elvis, en daar dan gretig mee aan de slag zijn gegaan om dat alles te restaureren en synchroniseren, is iets waarvoor we uiteindelijk zeer dankbaar mogen zijn.
De toon wordt vanaf de eerste seconde gezet. Net als bij Elvis, en uiteraard knipogend naar zijn extravagante outfits, krijgen we in de opening een overvloed van fonkelende strasssteentjes (eerst verwerkt in het logo van producent Warner Bros, daarna in de openingstitel). Vrijwel alles wat volgt, spat met eenzelfde uitbundigheid van het scherm. Een flitsende montage vertelt op enkele minuten alles wat we over Elvis zouden moeten weten om zijn iconische status te begrijpen (als dat al nodig zou zijn). Voor zijn manische podiumprésence – “Ik kan niet stil staan. Ik heb het geprobeerd, het lukt me niet.” – moet Elvis zich meermaals excuseren aan puriteins Amerika (“ik niet denk dat ik iets verkeerds heb gedaan”). Hoezeer hij ook aanbeden werd, Presleys leven had iets enorm tragisch, wat hier en daar ook doorsijpelt tussen de concertfragmenten. Op de vraag in wat voor films hij graag nog zou acteren, is zijn antwoord: “gewoon een betere film dan degene die ik gedaan heb.” Het zegt natuurlijk ook iets over de dwingende invloed van zijn manager Tom Parker die hem liet opdraven in zowat alles wat naar geld rook, en hem uiteindelijk als een vogeltje zou opsluiten in The International Hotel in Las Vegas met een slopende reeks van 636 opeenvolgende shows tot gevolg.
Op het podium krijgen we, uitgezonderd een dromerige en uitgeputte blik, echter weinig signalen dat Elvis daar tegen zijn goesting staat, integendeel. Meer dan ooit tevoren krijgen we hier te zien dat hij alles voor dit leven over had en ieder aspect van zijn shows beheerste tot in de perfectie, altijd met een glimlach, grappend en grollend met zijn bandleden, zowel op het podium als in de studio. Luhrmanns barokke stijl met snelle cuts sluit natuurlijk perfect aan bij de uitzinnige energie van die shows. Repetities in de studio gaan zowel qua beeld als geluid naadloos over in hetzelfde nummer op het podium van The International. Ook op muzikaal vlak is EPiC een overdonderende ervaring. Kippenvelmomenten zijn er in overvloed met onder andere het prachtige You’ve Lost That Loving Feeling, Bridge Over Troubled Water en I Can’t Stop Loving You. Het is moeilijk stilzitten bij Walk A Mile In My Shoes en That’s Alright, een feest voor het oor dat doorgaat tot in de eindaftiteling met een house-remix van Don’t Fly Away, dat in feite een mash-up is van Suspicious Minds en Any Day Now.
De grootste verdienste van EPiC is uiteindelijk de onwaarschijnlijk mooie kwaliteit van de gerestaureerde concertopnames die het bijna doen lijken alsof Luhrmann je rechtstreeks tussen het publiek in de concertzaal teleporteert. In 2023 kregen we nog een opgesmukte versie in de zalen van de concertfilm der concertfilms: Stop Making Sense van Jonathan Demme. Ondanks de genialiteit van dat optreden en de wijze waarop het in beeld gezet werd, blijf je je er stiekem wel van bewust dat je naar een captatie kijkt uit een lang vervlogen tijd. Hier lijkt het alsof Elvis is herrezen en gisteren nog op de planken stond, bijna tastbaar. Om een man te citeren die achter mij in de bioscoop zat: “On-waar-schijnlijk”.



