Met zijn ingetogen, meditatieve films en kenmerkende stijl werd Jim Jarmusch al vanaf het begin van z’n langlopende carrière uitgeroepen tot chouchou van de Amerikaanse alternatieve cinema. Stranger Than Paradise, Down By Law en Ghost Dog: The Way Of The Samurai – om er maar een paar uit te pikken – leverden de cineast een schare fans op die hem welhaast verafgoden, maar eigenlijk teert de man ook vandaag nog op een in mijn ogen twijfelachtige reputatie.
Hoewel ik me zeker niet over alle films van de zogenaamde “King Of Cool” kan uitspreken, markeerde het even geestige als ongedwongen Paterson in ieder geval een zeldzaam hoogtepunt in Jarmusch’ recentere oeuvre. Deze euforie bleek echter geen lang leven te zijn beschoren, want de daaropvolgende flauwe horrorkomedie The Dead Don’t Die was dan weer een regelrechte mislukking. Maar soms kruipt het bloed waar het niet gaan kan. Zes jaar later dingt Cannes-habitué Jarmusch voor het eerst mee naar een prijs op het filmfestival van Venetië, waar hij tot ieders verbazing meteen de hoofdvogel afschiet.
Het is nogal contradictorisch dat Jarmusch deze eer opstrijkt voor een fletse en onsamenhangende omnibusfilm, waarin hij de familiebanden tussen een aantal volwassen kinderen en hun afstandelijke ouders observeert. Zodoende worden in Father Mother Sister Brother drie losse verhaaltjes aan elkaar geknoopt, die zich alle in het heden situeren maar geworteld zijn in een telkens andere geografische context. Het eerste segment voert ons naar de heuvels van New Jersey, waar een excentrieke weduwnaar kort wordt herenigd met z’n twee kinderen. In het middelste luik komt het tot een weerzien tussen twee zussen – die in feite elkaars tegenpolen zijn – en hun autoritaire moeder. Het laatste gedeelte vertelt over een niet-identieke tweeling die de flat van hun overleden ouders verkent, een plek die gebonden is aan heel wat herinneringen.
Jim Jarmusch bestempelt Father Mother Sister Brother zelf graag als een anti-actiefilm die is opgezet als een soort muziekstuk, met drie delen die niet van elkaar te scheiden zijn. De eigenzinnige cineast experimenteerde natuurlijk al eerder met parallelle verhalen (zie ook Mystery Train, Night On Earth of Coffee And Cigarettes), maar als er één gegeven is dat in zijn jongste prent sterk naar voren treedt, is het wel het gebrek aan communicatie. Je ondervindt bijna aan den lijve hoezeer de personages op gespannen voet leven met elkaar, wat zich vaak uit in lange ongemakkelijke stiltes. De moeilijke houding die de protagonisten aannemen, laat zich op meerdere vlakken gelden. Wanneer Jeff en Emily op visite gaan bij hun vader, is dit meer een bezoekje uit beleefdheid dan een blijk van oprechte liefde of genegenheid. Voorts loopt het schijnbaar gezellige theekransje, waarvan we getuige zijn in het tweede verhaal, evenmin van een leien dakje – terwijl het slotstuk dan weer een geheel andere toon aanslaat.
Dat Jarmusch, die in de film ook aan het spelen gaat met terugkerende visuele motieven, daarbij heel intuïtief te werk gaat, mag duidelijk wezen. Dit neemt niet weg dat de laconieke, onthaaste stijl van de regisseur erg gemakzuchtig is en er überhaupt weinig vlees zit aan deze ongelukkige mengelmoes van droge humor (die veelal voortkomt uit kleine gebaren) en maatschappijkritiek. Dat de maker van Dead Man en Broken Flowers vaak vooraf nauwelijks zicht heeft op welke manier hij zijn ideeën zal laten rijmen met elkaar en het scenario van Father Mother Sister Brother in slechts een paar weken op papier stond, valt er helaas ook echt aan te zien. Zelfs de internationale sterrencast die Jarmusch voor Father Mother Sister Brother wist te verzamelen (met ronkende namen zoals Cate Blanchett, Charlotte Rampling, Vicky Krieps, Adam Driver en Tom Waits) kan niet verhinderen dat de weinigzeggende film nergens heen leidt of amper iets voorstelt. Het zou allemaal zeer spontaan moeten overkomen, maar je voelt dat het daarentegen juist gekunsteld en heel erg berekend is.



