Toeval of niet, maar net wanneer de politieke situatie in de Verenigde Staten meer dan één dictatoriaal trekje begint te vertonen, komen vlak na elkaar twee verfilmingen in de zalen van dystopische romans die horrorkoning Stephen King in de jaren negentienzeventig en -tachtig schreef onder het pseudoniem Richard Bachman. In september waagde Francis – The Hunger Games – Lawrence zich met zeer matig resultaat aan The Long Walk waarin een bloedige wandeltocht een soort symbool wordt voor een extreme versie van ’the American dream.’ Nu is er The Running Man, een herwerking van een eerdere adaptatie uit 1987 met in de hoofdrol Arnold Schwarzenegger. Toevalligerwijs komen er de afgelopen twee weken daarmee ook twee hedendaagse incarnaties van Schwarzenegger-klassiekers in de zalen: vorige week was er de vreselijke late franchise-aflevering van Predator uit 1987, nu is dus The Running Man aan de beurt.
De casting van Schwarzenegger in het origineel vereiste nogal wat aanpassingen op het narratieve vlak. De premisse draait rond een uitzinnige spelshow waarin de kandidaten moeten onderduiken in de maatschappij en proberen uit de handen te blijven van dodelijke ‘jagers,’ geen sinecure wanneer je weet dat de gewone bevolking geld kan verdienen door tips te geven over de locatie van de voortvluchtigen. Met de voormalige Mister Universe tijdens zijn gloriejaren als de centrale figuur, was het ondenkbaar te gaan pretenderen dat het personage zou kunnen onderduiken zonder te worden opgemerkt. Daarom werd alles herdacht in functie van een arena waarin de kandidaten naar het leven gestaan werden door op spectaculaire wijze uitgedoste moordenaars (gespeeld door onder andere Jesse Ventura en Jim Brown).
Met Edgar Wright (Baby Driver, Scott Pilgrim vs The World, Last Night in Soho) achter de camera stond het vast dat er een heel andere benadering zou komen, ook al omdat de nieuwe hoofdrolspeler Glenn Powell uiteraard een heel ander profiel en persona heeft dan Schwarzenegger (die trouwens op de première van deze remake ruiterlijk toegaf dat de – nochtans behoorlijk geslaagde – film uit ’87 best wel aan een nieuwe aanpak toe was). Powells Ben Richards is nu dus niet langer een gevallen militaire held, wel een brave huisvader die een paar keer te veel in opstand kwam tegen slechte werkomstandigheden, daardoor overal geweerd wordt en zelfs geen geld genoeg heeft om griepmedicijn te kopen voor zijn dochtertje (nu de VS uit langste shutdown in de geschiedenis komen na een door de democraten verloren strijd over het betaalbaar houden van geneesmiddelen, lijkt een futuristisch Amerika waarin gezondheidszorg totaal onbetaalbaar is geworden, behoorlijk realistisch als toekomstbeeld). Richards komt door zijn geldproblemen tegen wil en dank terecht in de spelshow The Running Man (bestierd door een heerlijk gluiperige Josh Brolin) waarin hij dertig dagen lang uit de handen van doders moet blijven om een fortuin te winnen.
Met die grimmiger insteek dan in de eerdere versie keert de film terug naar de literaire bron en brengt meteen nóg een element terug dat geschrapt was in 1987: elke dag moeten de deelnemers een opname van zichzelf insturen om in de wedstrijd te blijven. Toen King zijn roman schreef, was video een nieuwe technologie, nu leven we uiteraard in een wereld vol schermen, een gegeven dat ditmaal uiteraard ten volle wordt uitgespeeld.
Wright slaagt erin om derhalve drie zaken te doen met zijn update van The Running Man: het verhaal opnieuw een meer kritische dimensie schenken, een deel van de kitscherige charme van de eerdere versie bewaren, en de wedstrijd een ruwere en meer brutale kant geven.
Toch is het ook die mix van kwaliteiten die de film een beetje de das omdoet. The Running Man wijzigt zo vaak van stijl en toon (de finale doet warempel vaag denken aan een scène uit het recente Hindi-spektakel War 2, ook al is dat wellicht puur toeval) dat het allemaal ook wel een beetje te veel uiteenvalt in deeltjes. Soms hebben we het gevoel dat we kijken naar drie verschillende films die elk hun eigen half uurtje aan bod komen. De prent is technisch voldragen en over het geheel genomen – we hadden van Wright niks anders verwacht – vakkundig ingeblikt, maar wat er een beetje mist is dus consistentie en – vooral – één van die brokjes virtuositeit die eerder werk van Wright net dat beetje extra glans schonken, zoals pakweg de schitterende door muziek geleide montages uit Baby Driver, de ongelooflijke cameravoeringen uit Last Night in Soho of de geschifte visuele invallen uit Scott Pilgrim vs The World.



