Eerst even duidelijk stellen: het kortverhaal van Richard Bachman (aka Stephen King) dat aan de basis ligt van The Long Walk is er een dat ik talloze keren gelezen heb. Een ongeveer tweehonderd bladzijden tellend meeslepend stukje dystopia dat je meestal in een ruk uitlas. Als filmcriticus en filmwetenschapper weet ik uiteraard ook heel goed dat films géén boeken zijn en de beste literatuurverfilmingen vaak grondige wijzigingen aanbrengen die de vertaling naar een ander medium ten goede komen. Het heeft geen zin een purist te zijn die verlangt dat elke letter van zijn of haar favoriete leesvoer ook terug te vinden is in een verfilming. Ik kon dus The Long Walk met open vizier en gespannen verwachting tegemoet treden, me herinnerend dat we als tieners met een paar mede-fanaten speculeerden over welke regisseur geschikt zou geweest zijn voor een adaptatie. Een ding is zeker, mocht Francis Lawrence toen al films aan het draaien geweest zijn, hij zou nooit op één van onze lijstjes gestaan hebben: Lawrence is een kleurloze huurling die vooral bekendstaat om de paar afleveringen van de flauwe Hunger Games franchise die hij inblikte. Dat had eigenlijk al een teken aan de wand moeten zijn, want uiteindelijk werd deze zeer late verfilming van The Long Walk een behoorlijke tegenvaller.
Laten we beginnen met het concept: in een niet nader gespecifieerde toekomst zijn de Verenigde Staten hervormd tot een dystopische politiestaat met aan het hoofd een militair die zichzelf ‘The Major’ noemt (hier gespeeld door Mark ‘Luke Skywalker’ Hamill) en die elk jaar een wedstrijd organiseert waarin jongemannen moeten blijven wandelen aan 3 mijl per uur tot er slechts een van hen overblijft. Wie een aantal keer onder de snelheid valt, wordt genadeloos neergeschoten door de begeleidende soldaten. Zelfs al is de oorzaak buikkrampen, oververmoeidheid of ziekte, de regels zijn onverbiddelijk. In die verhaallijn worden stevige wijzigingen aangebracht – zo vervalt bijvoorbeeld zo goed als alles wat te maken heeft met de interactie tussen de wandelaars en het op bloed beluste publiek – maar zoals eerder gezegd is dat best oké, je moet nu eenmaal zaken herschikken en aanpassen om alleen al de ritmiek van een film te laten kloppen tegenover die van een boek. Erger is dat ook aan het basisconcept gemorreld wordt: bij King worden we heel erg in het ongewisse gelaten over de precieze details van de maatschappij waarin dit alles speelt en nog veel meer over diegene die moeten uitleggen wat de inzet is van de ‘long walk.’ Er is sprake van een fabelachtige prijs, maar geen van de deelnemers lijkt precies te weten wat die inhoudt. Hier wordt dat alles al van bij de start expliciet ingevuld, een euvel dat nog versterkt wordt door de uiterst zwakke finale die het hele opzet van de novelle compleet onderuithaalt. Het is geen geheim dat Stephen King vaak moeite heeft met het breien van een bevredigend einde aan een fascinerend opzet – de finale van Frank Darabonts The Mist is oneindig veel beter dan die uit het boek, iets wat King ook ruiterlijk toegaf – maar in het geval van The Long Walk – De Marathon in het Nederlands – kon de horrorpaus een perfecte afsluiter vinden die de vraagtekens omtrent de ware toedracht van wat we lezen intact wist te houden. Hier wordt alles vervangen door een netjes afgerond einde dat eerlijk gezegd op niets slaat en ingaat tegen wat eerder werd opgebouwd.
Maar laten we de focus leggen op waar het eigenlijk om draait: de tocht die voorafgaat aan het eind. Lawrence wordt daarin geholpen door een handvol acteurs onder leiding van Cooper Hoffman, die allemaal behoorlijk mooi werk neerzetten. Ze worstelen echter met wat altijd de ultieme uitdaging van deze adaptatie zou zijn: hoe de mengeling van interne monologen, gesprekken en spanning te vertalen naar een visueel medium. Het antwoord van het script is: ‘gepalaver.’ Er is ook in het oorspronkelijk narratief behoorlijk wat interactie tussen de deelnemers, maar hier moet ook alles wat zich afspeelt in het hoofd van de verteller daaraan worden toegevoegd. Het resultaat is dat we meer kijken naar eindeloze dialogen dan naar een echte visuele vertaling van het nochtans cinematografisch erg dankbare gegeven van de wedstrijd. Voor een film over zoiets als een apocalyptische wandeltocht, zijn er bedroevend weinig echt beklijvende scènes die ons proberen
deelgenoot te maken van de fysieke en mentale beproeving die de lopers ondergaan, net een van de grote kwaliteiten van de literaire bron. Diep in het laatste half uur slagen Lawrence en zijn in België geboren fotografieleider Jo Willems (met wie hij ook al eerder samenwerkte) er wel degelijk in een paar ijzersterke en sfeervolle momenten op te dienen. Maar die bij valavond of in nachtelijke regen gesitueerde scènes zetten net nog meer in de verf hoe bleek en ongeïnspireerd de rest van de film is.
The Long Walk is geen fiasco en krijgt ondanks alle tekortkomingen de kracht van het basisgegeven niet kapot. Helaas wordt tegelijkertijd slechts een heel gering deel van het aanwezige potentieel ontgonnen en is dit enkel een minimaal geslaagde adaptatie voor het witte doek.



