In de zomer van 1987 kwam Predator in de zalen, een ijzersterke actieprent geregisseerd door John McTiernan, die later ook Die Hard en The Hunt For Red October zou afleveren. Niet alleen kwalitatief zat het goed, ook aan de kassa deed de film het uitstekend, waardoor een sequel niet kon uitblijven. Dat werd het lauwe Predator 2, waarna het veertien jaar duurde voordat producerende studio Twentieth Century Fox op het onzalige idee kwam twee lucratieve franchises te combineren met de werkelijk schabouwlijk slechte Alien vs. Predator films. Nadien werden er zonder veel succes pogingen ondernomen om te rebooten of terug te keren naar de originele verhaallijn, tot Dan Trachtenberg in 2022 een soort “Predator for native Americans” afleverde met Prey, dat niet eens de zalen haalde, maar wel genoeg aandacht trok om nu opnieuw een bioscoopaflevering te rechtvaardigen. Die versie voor het grote scherm rakelt dan ook toch weer een link met de Alien-reeks, gezien de aanwezigheid hier van de illustere Weyland-Yutani Corporation.
Prey was al ongeïnspireerd, en alsof dat nog eens onderstreept diende te worden, opent Badlands met een abominabel slechte proloog waarin we de protagonist – een jonge predator – zien verstoten worden door familie omdat hij niet sterk genoeg is als jager. Toen de Predator nog een buitenaards wezen was waar we niks over wisten, ging er een mysterieuze dreiging van uit. Nu lijkt het wezen (of de wezens) gereduceerd tot slecht uitgewerkte en kibbelende Orks uit Midden-Aarde. Daar blijft het niet bij, want eenmaal de jacht gestart op een creatuur dat zogenaamd niet kan gedood worden, vormt de jager een team met een van benen ontdane synthetische levensvorm uit het Alien-universum (gespeeld door Elle Fanning) die grapjes maakt en ook nog eens vriendjes wordt met een schattig wezentje dat als komische afleiding moet dienen. Het is allemaal zo slecht dat je vaak niet weet waar kijken van plaatsvervangende schaamte.
Niet dat je veel zou missen met de ogen van het scherm af te wenden. De chaos die gepaard gaat met de onnozelheden is immers ook gewoonweg niet om aan te zien. Of het nu gaat om vreselijke speciale effecten die er niet alleen goedkoop uitzien, maar ook gewoon lelijk, om erbarmelijk slecht geënsceneerde actiescènes – vaak horen we alleen een pak lawaai terwijl er allerlei onbestemde dingen heen en weer flitsen over het scherm zonder dat we ook maar een seconde zien wat er aan de hand is – of om hemeltergend banale prentjes van digitale vista’s die een verre planeet moeten voorstellen; het is
allemaal van een niveau dat zo laag is dat je er alleen om kan huilen. Als criticus kijk je uiteraard elke film uit, dat is een erecode die je verplicht bent aan je rol als recensent. Gedurende echter de 107 schier eindeloze minuten van dit onding moest ik mijzelf voortdurend daaraan herinneren om te voorkomen dat ik het echt wel vroegtijdig voor gezien hield met een film die zelfs tussen alle rommel die ik zag binnen de duizenden en duizenden titels die ik ooit aanschouwde tot het allerergste en allerslechtste behoort.



