De regen staat nog even op herfst, de zon verschuilt zich nog even achter een strak wolkendek, maar de goesting en de vooruitzichten zijn er. Het komt goed met Rock Werchter, zo voelen we aan ons water. Een verslag dus, en wel hierzo:
Werchter! Dan weet je dat je het gemaakt hebt. Als bandje, als artiest, maar ook als bezoeker: toch maar weer een school/academie/werkjaar overleefd. Het is tijd om los te laten, pinten te pakken en te ontspannen. En in het geval van Stijn Meuris: nog maar eens een groepje opnieuw bij elkaar te brengen.
“Wij zijn Monza, en we hopen van u hetzelfde”, brult hij in KlubC, en ook “It’s a band, baby!” Want zelfs al had de zanger post-Noordkaap last om zijn muzikanten bij te houden, hij zag ze wel graag, die bende “oude witte cismannen”. En hij had een neus voor talent. Staan daar immers zomaar even te spelen alsof er geen vijfentwintig jaar voorbij is: David Poltrock (Poltrock, De Mens, Hooverphonic, et j’en passe), Mario Goossens (Triggerfinger) en Piet De Pessemier (Krakow, Mad About Mountains, Le Noise). En rechts: Gooseman Tom Coghe, die de betreurde oorspronkelijke bassist Bart Zegers vervangt. Achter hen hangt die iconische icoonhoes, want het is wel degelijk de verjaardag van debuutsingle “Van God Los”. Met een knipoog en een wit ipod-oortje is ze geüpdate naar nu, alsof Monza zelf ook wel weet dat er veel veranderd is tussendoor. En zo bloeit na een langgerekte intro “Naïviteit” open.
In “Naar men zegt” hoor je naar progrock neigende wendingen. De Pessemier, ondertussen professioneel Neil Youngcoveraar, legt er een warm ronkend gitaartje in. Dartel danst het pianootje van het onverslijtbare “De ogen van Jenny”. Het bochtige, bonkige “Parvenu” laat horen dat Monza in weerwil van zijn singles eigenlijk een lastiger, moeilijker en dwarser groepje was. Het is met nadruk géén Noordkaap, blijft weg van all things classic rock. Meuris laat zijn muzikanten dan ook de ruimte voor solo’s, drukt de vinger tegen de lippen dat Poltrock zijn outro kan pakken.
“We haan ne keer bewehen“, brult Meuris. En voor wie niet begrijpt waarom hij dat “Wie danst er nog?” in het West-Vlaams aankondigt smijt hij er halverwege die TC Maticdreun een Arnosiaanse “hodverdomme!” tussen. Het applaus is nadien zo luid dat je niet kunt begrijpen dat Meuris na die derde plaat Attica de stekker uit de groep trok. De frontman – je moet hem na meer dan vijfendertig jaar geen setlist meer leren opstellen –grijpt het gecreëerde moment en we gaan “Van God los”, die ene single die meteen een klassieker werd. De Pessemier perst zijn solo uit zijn instrument alsof het pas gisteren was dat hij ze bedacht, en dat was dat. Na krap 35 minuten kan Monza al beschikken. Dat is zonde van de beperkte tijd, dit was een fijn weerzien.



