De regen staat voorlopig op herfst, de zon verschuilt zich nog even achter een strak wolkendek, maar de goesting en de vooruitzichten zijn er. Het komt goed met Rock Werchter, zo voelen we aan ons water. Een verslag dus, en wel hierzo:
Donderdag 2 juli: Onverslijtbare ogen, bonkige parvenu’s
Werchter! Dan weet je dat je het gemaakt hebt. Als bandje, als artiest, maar ook als bezoeker: toch maar weer een school/academie/werkjaar overleefd. Het is tijd om los te laten, pinten te pakken en te ontspannen. En in het geval van Stijn Meuris: nog maar eens een groepje opnieuw bij elkaar te brengen.
“Wij zijn Monza, en we hopen van u hetzelfde”, brult hij in Klub C, en ook “It’s a band, baby!” Want zelfs al had de zanger post-Noordkaap last om zijn muzikanten bij te houden, hij zag ze wel graag, die bende “oude witte cismannen”. En hij had een neus voor talent. Staan daar immers zomaar even te spelen alsof er geen vijfentwintig jaar voorbij is: David Poltrock (Poltrock, De Mens, Hooverphonic, et j’en passe), Mario Goossens (Triggerfinger) en Piet De Pessemier (Krakow, Mad About Mountains, Le Noise). En rechts: Gooseman Tom Coghe, die de betreurde oorspronkelijke bassist Bart Zegers vervangt. Achter hen hangt die iconische hoes, want het is wel degelijk de verjaardag van debuutsingle “Van God los”. Met een knipoog en een wit AirPod-oortje is die geüpdatet naar nu, alsof Monza zelf ook wel weet dat er veel veranderd is tussendoor. En zo bloeit na een langgerekte intro “Naïviteit” open.
In “Naar men zegt” hoor je naar progrock neigende wendingen. De Pessemier, ondertussen professioneel Neil Young-coveraar, legt er een warm ronkend gitaartje in. Dartel danst het pianootje van het onverslijtbare “De ogen van Jenny”. Het bochtige, bonkige “Parvenu” laat horen dat Monza in weerwil van zijn singles eigenlijk een lastiger, moeilijker en dwarser groepje was. Het is met nadruk géén Noordkaap, blijft weg van all things classic rock. Meuris laat zijn muzikanten dan ook de ruimte voor solo’s, drukt de vinger tegen de lippen, zodat Poltrock zijn outro kan pakken.
“We haan ne keer bewehen“, brult Meuris. En voor wie niet begrijpt waarom hij dat “Wie danst er nog?” in het West-Vlaams aankondigt, smijt hij er halverwege die TC Matic-dreun een Arnosiaanse “hodverdomme!” tussen. Het applaus is nadien zo luid dat je niet kunt begrijpen dat Meuris na die derde plaat Attica de stekker uit de groep trok. De frontman – je moet hem na meer dan vijfendertig jaar geen setlist meer leren opstellen – grijpt het gecreëerde moment en we gaan “Van God los”, die ene single die meteen een klassieker werd. De Pessemier perst zijn solo uit zijn instrument alsof het pas gisteren was dat hij ze bedacht, en dat was dat. Na krap 35 minuten kan Monza al beschikken. Dat is zonde van de beperkte tijd, dit was een fijn weerzien.
“Dit is mijn vierde keer op deze Main Stage. Ik denk niet dat het nog veel gaat gebeuren”, zegt Zwangere Guy. En hij bedankt ons. “Jullie steken de Guy in het woord magie.” Yup, het was weer tijd voor een emomomentje, want je zag dat het hem nog altijd veel doet om de dubbele klap in de maag die “Beter leven” en “Gorik pt. 1” is te brengen. En hij zit er ook mee dat hij de laatste tijd vrienden aan het verliezen is, biecht hij op. “Ik weet niet waarom. Ik probeer gewoon een normaal mens te zijn.”
Het begon nochtans scherp en gefocust. “DMT”, “Lege fles”, “Monkey Mind” volgden elkaar in sneltreinvaart op. Gorik van Oudheusden weet hoe hij een strakke rapshow moet brengen, en miste zijn begin niet. Maar dat hij nog steeds met zijn oude troubles zit, dus. “Er zijn littekens die blijven.” Waarna hij, gezeten op de rand van het podium, vaststelt: “Nu begint het nog te drashen.” Want ja, daar zijn we ondertussen beland. Hij kijkt op. “Zullen we alles er af dansen?”
Tijd voor Deel Twee van deze show: de fun, de hits. Dat riedeltje van “Loin d’ici” blijft onweerstaanbaar, “Wie is Guy?” de knaller waar we op zaten te wachten. “Open”, heeft ZG dan al lang bevolen, en u wist wat u te doen stond: “een pit hier, daar, daar nog een, en ginds nog een.” De van Channel Zero geleende gitaar van “Vecht voor papier I” loeit op, “Guttergang” heeft nadien maar binnen te koppen met zijn “Putain putain”-verwijzing en een “deze is voor nonkel Arno. We missen u hier”. Het wordt, hodverdomme nog aan toe, een thema. “Er zijn weinig mensen die hier twee keer op vier dagen mogen staan”, mijmerde de Zwangere, die zondag ook Werchter Parklife op gang hielp. Hij mag dat, want hij kan dat.
“We hebben deze keer geen nieuw album te verkopen. We vieren er eentje dat vijftien jaar oud is.” En dus knallen The Vaccines er in de eerste helft van hun set alle grote hits van hun debuut What Did You Expect From The Vaccines? uit. Aftrappen met “Blow It Up”, daarna “Wreckin’ Bar (Ra Ra Ra)” en “Post Break-Up Sex” en dàn meteen al anthem “Wetsuit”; ga er maar aan staan. U bent meteen opgewarmd, en brult u een long uit het lijf op dat laatste, maar ook op “Nørgaard” – een bedenkelijke ode aan een veel te jonge actrice die de band met reden lang links liet liggen. Dit jaar mag het, vooruit dan maar, voor één keer, nog eens.
Dit is al jaren een belachelijk efficiënte band, die zijn punky popliedjes, soms poppy punkliedjes aan een razend tempo aan elkaar rijgt, en op het einde stel je vast dat je ongeveer elk nummer nog kende van op de radio. Het helpt ook dat Justin Young het soort schalkse schavuit is die weet dat hij zichzelf niet al te serieus moet nemen, en zich vooral moet amuseren, als het soort flirterige charlatan dat hij nu eenmaal is. Jammer, niettemin, dat “Your Love Is My Favourite Band” er maar wankel uitkomt, maar gelukkig is daar alweer “Headphones Baby” of een “Teenage Icon” om ons verder op te jutten, een “All My Friends Are Falling In Love” om de boel tot een kookpunt te brengen. Young ziet u goedkeurend dat laatste woord voor woord meebrullen en grijnst even goedkeurend. Game, set and match.
“Four seasons in one day”, zong Crowded House ooit, en zelfs al staan die hier niet, het idee is er wel. Want wat staan we nu te bakken voor die Main Stage, nu de zon eindelijk van de partij is. Kasabian reageert met een even verschroeiende openingszet. Eerst even “Hey Jude” door de speakers jagen, en dan vanuit een laagje noise de vloeibare swagger van “Club Foot” loslaten; dat is je moment pakken. “Act III” spelt het scherm, naar het album dat begin september in de winkel komt, en alweer het derde is sinds de groep afscheid nam van oorspronkelijke zanger Tom Meighan.
Gitarist Sergio Pizzorno heeft zich ontpopt tot waardige vervanger, toont zich vandaag een al even bedrijvige frontman met de tonnen attitude die die positie bij deze band vraagt. En toch loopt het al snel weer mis. Kan “Call” de opgefokte vibe van die opener nog voortzetten, dan valt nieuwe single “Hippie Sunshine” daarna dood als een pier. En meer vragen vallen nog te stellen, wanneer de groep als intro van “Days Are Forgotten” doodleuk een flard “Still D.R.E.” van Dr. Dre gebruikt, of voor “Vlad The Impaler” Faithless’ “Insomnia” even leent. Wat is dit? Een karaokeshow? En wat is “You’re In Love With A Psycho” dan, dat danst op een kermisriedel uit de jaren zeventig?
Het probleem is dat Kasabian dan wel zichzelf, maar niet zijn muziek serieus neemt, en zomaar iets doet. Door dat soort ingrepen en keuzes is het niet meer dan een karikatuur van een opgeblazen Britse rockband. Tegen afsluiter “Fire” hebben we het langzamerhand wel gehad met deze pompeuze idioten.
In de Amerikaanse rockscene heb je het curieuze fenomeen van de ‘jamband’, rockgroepen die hun songs eindeloos uitspinnen met solo’s, gepiel, gelul en wat nog meer. The War On Drugs is geen jamband, maar God, wat schurken ze graag tegen dat soort dingen aan. Ja, Adam Granduciel – de man die zijn articulatielessen nam bij Bob Dylan – schrijft Echte Songs, met poten en oren, kop, staart en ergens ook nog twee kleine tenen, maar hij legt ze vervolgens graag op de rekbank; gewoon, om er een beetje mee te spelen. En zo gaat het ook vanavond weer op dat Rock Werchter dat hij zijn “most favorite festival in the world” noemt, en waar hij alweer voor de derde keer staat.
De zon gaat langzaam onder; geen mooier slot denkbaar, geen beter moment voor deze band dan dit. En bij “Harmonia’s Dream” besef je het: wat The War On Drugs doet, is niet liedjes spelen, het is een sfeer brouwen, een dekentje breien tot de wol op is en een nieuwe bol wordt aangebroken. In “Pain” pielt Granduciel liefdevol met zijn gitaar, “An Ocean In Between The Waves” waaiert over een doortikkend ritme uit over de wei. Granduciel, in zijn blauw regenjasje, laat het nummer abrupt tot een scheurend en knarsend einde komen.
“Red Eyes” is dan al gepasseerd, als een eerste hoogtepunt waarin het altijd langer dan gedacht wachten is op die “whoo!”. Jon Natchez haalt voor het eerst zijn baritonsax boven, en jaagt er diepe zware tonen door. In “Under The Pressure” eist hij helemaal de hoofdrol op. Maar het is zoals altijd “Thinking Of A Place” dat het meest intens klinkt. Onverstoorbaar laat de groep het nummer rustig openbloeien, elke mooie buiging van de zanglijn volgend, de knappe outro met extra zorg uitgespeeld.
Maar zelfs aan de mooiste, langst uitgesponnen liedjes komt niettemin een eind. Net voor “Strangest Thing” kondigt Granduciel aan dat er nog tijd is voor twee jams, maar het blijft bij die ene. Dat krijg je natuurlijk met een ja, toch wel, jamband.
En dan was er Mumford & Sons om af te sluiten. Die hadden héél mooie kerstlichtjes mee.
Als het goed is, moet je het ook durven zeggen.



