Délicieux

De Franse Schrijver/regisseur/producent Éric Besnard is een man met een hoogst gevarieerd palmares: hij schreef mee aan het recente Jason Statham – vehikel Wrath of Man, maar als regisseur specialiseerde hij zich dan weer in tranerige drama’s zoals Le Goût des Merveilles. Zijn nieuwste prent combineert dan weer ’s mans voorliefde voor Franse geschiedenis met traditionele romantiek in een film over het ontstaan van de eerste echte restaurants in Frankrijk, een relaas aangedikt met een dun liefdesverhaaltje.

Délicieux opent met de stelling dat ‘in de achttiende eeuw dineren een voorrecht was voor de rijken, minder gegoeden zelden buitenshuis aten en het concept van een restaurant – een plaats om te genieten van eten – nog niet bestond’. Na die obligate geschiedenisles, is het wat vreemd dat de film meteen daarna een opvallend moderne keuken toont met een chef-kok (Grégory Gadebois) die fulmineert over het gebruik van kaneel en de juiste ‘cuisson’ en vervolgens vernederd wordt door de hertog voor wie hij werkt, een man wiens gasten blijkbaar de pastei met truffel en aardappel niet naar waarde kunnen schatten. Dat hoeft niet meteen problematisch te zijn, nog al te vaak worden films naar waarde geschat op basis van geloofwaardigheid en verisimilitude, een benadering die zeker niet altijd de beste cinema de meeste lof doet krijgen. Toch lijkt het er soms wat op dat Besnard niet echt gelooft in zijn materiaal en dit eerder een flets melodrama is dat toevallig speelt aan de vooravond van de Franse Revolutie en dat het restaurantgegeven eerder als achtergrond dan als spil gebruikt.

Er is zeker genoeg aandacht voor gerechten en koken, maar het lang uitgesponnen verhaaltje over de meesterkok die moet leren dat er meer is in het leven dan de dienst aan een edelman en de inbreng van de vrouw die hem dat leert begrijpen (Isabelle Carré), is wel heel mager en niet van dien aard dat het de aandacht twee uur kan vasthouden. Om overeind te blijven was er echte passie voor het onderwerp nodig geweest en die is helaas ver te zoeken, waardoor dit – om in de passende terminologie te blijven – allesbehalve een copieus filmisch festijn is.

Enig soelaas valt te halen uit de stemmige fotografie die naast de veel te voor de hand liggende okerkleurig belichte keukeninterieurs, heel af en toe uitpakt met echt geïnspireerde momenten en tenminste in het kleurenpalet de nodige eer brengt aan de maaltijden waar alles om zou moeten draaien. Het is alleen veel te weinig en naarmate de film vordert staat het ook allemaal in dienst van een bij het haar gesleurd wraakverhaal en een serieuze laag suiker die alles vlot verteerbaar moet houden. Het staat Besnard vrij om een sprookjesversie te brengen van de tumultueuze omwentelingen anno 1789, maar uitgehongerde dorpskindjes die ober spelen voor goedgeefse soldaten en een zoon des huizes die orakelt over geschriften van Rousseau en de democratisering van het recht om gezellig te eten, zijn toch wat van het goede te veel.

Nergens wordt de kloof tussen banaliteit en grote filmkunst echter zo duidelijk als in de door de camera ‘gevonden’ voedselstillevens die af en toe opduiken en die laten zien wat het verschil is tussen een groot cineast en een middelmatig talent: het emuleren van de schilderkunst uit de Hollandse ‘gouden eeuw’ leverde in Peter Greenaways The Cook, The Thief, His Wife and Her Lover grandioze tableaus op, hier niet meer dan een opzichtige manier om de aandacht te trekken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 + twintig =