Luís Vicente Trio :: Chanting In The Name Of

Traag maar gestaag blijft trompettist Luís Vicente zich naar de frontlinie van de Europese improvisatie wurmen en het lijkt erop dat de man op een scharniermoment in zijn carrière staat. Niet lang na onder meer een indrukwekkende solorelease en een gelauwerd album met Amerikanen William Parker, Hamid Drake en John Dikeman, staat hij er opnieuw, dit keer met zijn eigen trio. Dat pakt uit met even eenvoudige als efficiënte composities, een knoert van een hart en bakken vrijheid.

De voorbije zes à zeven jaar groeide Vicente uit tot een bevlogen en productief muzikant die nog veel vaker dan de meeste van zijn landgenoten de grens overstak. Dat bracht hem regelmatig in onze contreien (samenwerkingen met goed volk als Kabas, een trio met Seppe Gebruers en Onno Govaert, het Portugees-Belgische Frame Trio), maar ook in het gezelschap van kleppers uit Frankrijk (de broers Ceccaldi), het Verenigd Koninkrijk (Olie Brice & Mark Sanders) en anderen. Zijn eigen werk laat hij nu horen met goed volk aan z’n zijde: de immens productieve en half-Nederlandse bassist Gonçalo Almeida en drummer Pedro Melo Alves, een van de centrale vertegenwoordigers van de generatie Portugese improvisatoren na Vicente en Almeida.

Een trompettrio, dat zie je niet zo vaak, dus ergens maakt hij er wel een statement mee, alsof hij wil zeggen dat zijn instrument, net als een sax, piano of gitaar, meer dan voldoende is om een trio aan te voeren en de strijd met een ritmesectie aan te gaan. Vicente mag dan wel de leider zijn, van een scheefgetrokken balans is geen sprake. Ze nemen alle drie regelmatig het voortouw, doen meer dan zomaar ten dienste staan, houden elk op hun manier de muziek in beweging en in voortdurende transformatie. Vicente zorgde voor het thematisch materiaal, maar dat is summier, een springplank. Dit is geen muziek van de complexe soort, met gedetailleerde arrangementen, maar een evenwicht van houvast en vrijheid. Nauwer verwant aan de (free) jazz dan de meeste van hun andere projecten, maar te grillig om zich te laten labelen.

Twee van de composities introduceerde Vicente jaren geleden al via de band What About Sam?. Opener “Anahata” gaat van start met een bassolo die de geest van Charlie Haden lijkt op te roepen, misschien wel de meest lyrische van de klassieke vrije(re) bassisten en ongetwijfeld van invloed op Almeida, die de voorbije jaren ook diep in de solopraktijk dook. Het is een aanzet die meteen een groot soortelijk gewicht implementeert, een intense statigheid die na goed honderd seconden transformeert in majestueus samenspel met een thema dat recht naar het hart gaat. Dat brengt vervolgens een trompetsolo op gang die steeds woeliger om zich heen cirkelt en een arsenaal aan technieken betrekt. Maar pik er de bas of drums uit en je hoort al net zo’n diepe betrokkenheid, met rituele toets.

De titeltrack vormt het hart van het album. Opnieuw mag Almeida de aanzet geven, deze keer met zingende strijkstok, terwijl Vicente zich er zacht murmelend bijvoegt en een vat vol melancholie opent. De manier waarop het stuk na een minuut of drie helemaal openbloeit is van een prachtige, ingetogen schoonheid; muziek die oprijst uit as en iets nieuws introduceert, met een warm gloeiende trompet die zweeft op die diep resonerende ritmesectie. Niet minder dan pakkend, al sluipt er ook hier een spanning in die connectie die de naden van het samenspel test en de sound net niet laat ontsporen. Vicente geeft opnieuw treffende voorbeelden van zijn instrumentbeheersing – virtuoos zonder goedkoop effectbejag, met aan het einde opnieuw een herneming van het thema.

Die twee stukken vormen misschien wel het hart van het album, maar ze worden gecombineerd met nog een paar sterke stukken. “Keep Looking” gaat vrij van start met korte, grillige statements, maar belandt al snel in een simultaan motief van bas en trompet met een haast komisch effect, alsof de twee samen een trap afdalen. Er wordt een versnelling opgezet, de aanleiding voor Vicente om zijn bereik en technieken uit de doeken te doen, met geschetter, gesputter, geruis en geschraap, terwijl zijn kompanen al net zo ongedurig zoeken en variëren of de boel even overnemen en naar de intense finale sturen.

Kortere stukken “Connecting The Dots” en “May’s Flavour” hanteren al net zo’n fijn evenwicht tussen elasticiteit en grove korrel, met het eerste dat vinnigheid aan zwalpende melodieën koppelt, en het tweede dat iets beheerster blijft, met zachte effecten op trompet en brushes op de drums die een mysterieuze waas over het samenspel gooien. Opnieuw zijn het momenten van totale spontaniteit met een stabiel element in het achterhoofd. Samen met de andere stukken zorgen ze voor een album dat zonder overdreven poeha z’n punt maakt. Vicente & co. maken gebruik van vaste elementen, maar overgieten die met een spontane saus die het geheel laat sudderen alsof er nooit een andere optie was.

Anders gezegd: dit is vrijheid met focus en controle. Niet omdat er iets in bedwang gehouden moet worden, maar omdat ze zo goed voorbereid aan de meet komen. Het is net omdat ze zo goed weten wat ze kunnen, wie ze zijn en wat ze te zeggen hebben, dat ze alles zo vrij kunnen omspelen. Chanting In The Name Of is een prachtig staaltje modern samenspel van kerels die voorbestemd zijn om nog veel bijzondere dingen te doen. Pik hier in op een willekeurig moment en je hoort het.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × een =