Damiano Michieletto komt eigenlijk uit de wereld van de Italiaanse opera, maar vatte het onzalige idee op om rond het werk van Antonio Vivaldi een draak van een melodrama bijeen te filmen.
Zoals de titel al doet vermoeden, zou de beroemde Lente van de componist de leidraad doorheen de film moeten zijn, maar dat moet u best met een korrel zout nemen: het duurt tot aan de aftiteling alvorens het stuk ook echt te horen is en buiten wat verwijzingen naar inspiratiebronnen doet het eigenlijk nauwelijks ter zake. Meer muziek en minder hol drama ware nochtans welkom geweest voor dit stoffig en saai portret van een jonge violiste die in een weeshuis in Venetië opgroeide en de initieel terughoudende Italiaanse maestro als bevlogen leraar krijgt.
Gezien zijn palmares wordt Michieletto beschouwd als een absolute autoriteit waar het aankomt op het ensceneren van grote producties voor prestigieuze operahuizen zoals The Royal Opera House in Londen en La Scala in Milaan. Het probleem is dat dat niet wil zeggen dat hij ook kaas gegeten heeft van de filmkunst. Hoewel er zeker in de vroege cinema vormelijke kruisbestuiving was tussen theater en het nieuwe medium (heel interessante lectuur ter zake is het boek Theatre to Cinema: Stage Pictorialism and the Early Feature Film van Lea Jacobs en Ben Brewster) werd die band gaandeweg steeds meer doorbroken en verworpen. Denk bijvoorbeeld maar aan de filmmakers van de Franse Nouvelle Vague zoals François Truffaut en Jean-Luc Godard die van leer trokken tegen de “cinéma de papa”, die volgens hen al te veel gestoeld was op toneelmatige weergave.
Wat Michieletto hier doet, is net het omgekeerde: de mise-en-scène van een toneelpodium opleggen aan cinema en daarmee een uiterst steriel eindresultaat neerzetten. Alles in Primavera voelt als een slecht theaterstuk: de louter illustratieve beelden, de krampachtige pogingen om een soort faux-Vermeer effect te krijgen in de harde belichting, de opzichtig dik doende pseudo-poëtische literaire vertelstem (“Julie verstootten jullie dochters, maar gaven ons een geschenk, de instrumenten om jullie mee te vervloeken”) of het tergend banale script naar de roman van ene Tiziano Scarpa. Eigenlijk is dit precies wat mensen als Godard, Truffaut of Éric Rohmer van Les Cahiers du Cinéma de traditionele film verweten: dat er geleend werd bij andere kunsten om een aura van achtenswaardigheid aan film te schenken
(vroege cinema gebruikte het toneel en literatuur om als méér gezien te worden dan loutere kermisattractie) zonder film een eigen stem en identiteit te geven als autonome kunst. Omdat de plot draait om een eminent klassiek componist zou de prent meer “klasse” moeten uitstralen, maar wie een beetje dieper kijkt, ziet niks anders dan een uiterst banale film die nauwelijks het niveau haalt van een televisieproductie van een paar decennia geleden: pruiken, het decor van een barokke kerk en de klanken van een klassiek muziekstuk suggereren tevergeefs op oppervlakkige wijze allerlei verheven kwaliteiten die dit verwaarloosbare drama geenszins bezit.



