Plaat na plaat blijft singer-songwriter Aldous Harding verbijsteren. Goed, haar debuut was nog rechttoe rechtaan gothic folk, maar dan was de onnavolgbare achtbaan van haar carrière pas vertrokken. Met haar vijfde album Train On The Island doet de van oorsprong Nieuw-Zeelandse artieste opnieuw geen enkele poging om enigma’s rond haar excentrieke muzikale uitingen te ontkrachten.

Hoezo, welke excentrieke muzikale uitingen? Gevraagd in interviews naar een of andere achterliggende betekenis van haar rare kronkels haalt Harding al jaren steevast haar schouders op; het zouden gewoon aardigheidjes zonder dubbele bodem zijn, plezier voor het plezier, meer niet. Welaan dan. Train On The Island heeft alleszins datzelfde DNA als Warm Chris, haar vorige plaat uit 2022: andermaal een veelvoud aan gemoedstoestanden met bijbehorende stemgeluiden die pseudo-cryptische teksten laten horen, dus.
Neem nu opener “I Ate The Most”, met als eerste strofes “I’m not afraid like you’re not gay / And you’re not old like I’m on the spectrum”, drijvend op synths in een ijsbad. Verder nog in de song neuzelt Harding afstandelijk “Sometimes I eat till I vomit”. Begin maar eens te analyseren – iets met een kind-ouder-relatie en groeipijnen, misschien? Op “One Stop” laat Harding zich meer opgetogen horen (“I met the real John Cale / … / I packed the stage while he ate rice”), terwijl een repetitief pianoriedeltje plots baan ruimt voor gitaar en drum.
“Worms”, met luie, bijna ongeïnteresseerde parlando die weggelopen lijkt uit een Franse arthousefilm in zwartwit, krijgt warmte dankzij contrasterende accenten van lap steel guitar. Het zacht zwierige “Venus In The Zinnia” (featuring Welsh singer-songwriter H. Hawkline) staat buiten kijf als gedroomde single. Hoe Harding het refrein van “If Lady Does It” – net over de helft van Train On The Island – bijna kirt, vormt nog het grootste contrast met de omringende songs.
Ze kan net zo goed meerdere stemmen in één song proppen. In “San Francisco” haalt ze haar hoogste stemmetje boven in de refreinen, om naar het einde toe bruusk in een reprise van “One Stop” (dat “Why wouldn’t I wanna meet ya?”) te belanden. Het botst, het schuurt, het wringt, maar elle s’ en fout, want het werkt ook: geen idee wat “het” is, maar “het” laat niet los. Om alles toch ergens wat in goede banen te leiden tekende trouwens andermaal John Parish – ondertussen moet hij allicht genoeg hebben aan twee woorden van Harding om haar buitenissige ideeën te vertalen.
Meer schizofrenie volgt in “What Am I Gonna Do”. Onderkoelde strofes (“I have met my sleeping self / The things she knows keep me around”) met drammerige drums gaan hier zonder waarschuwing over in een oase van een refrein dat eerder thuishoort in een pianoballad, waarna de song prompt zijn kop terug in het zand steekt. Afsluiter “Coats” – noem het maar Hardings eigenzinnige visie op americana – doet nog het minst van al moeilijk. Vreemd genoeg krijgen we net daardoor finaal geen sleutel tot het enigma Aldous Harding mee.
Train On The Island creëert even gretig afstand als het de luisteraar tegen de boezem drukt. Dat haar vijfde album durft uitdagen tot analyses die bij voorbaat nergens toe leiden, is een gegeven waarin Aldous Harding zich klaarblijkelijk verkneukelt. Geen touw aan vast te knopen, maar als ode aan haar idiosyncratische enigma kan Train On The Island wel tellen.




