The Dig

Sinds kort te zien op Netflix: The Dig.

Gebaseerd op waargebeurde feiten, ontplooit zich in The Dig het verhaal van Edith Pretty (Carey Mulligan), die autodidact-archeoloog Basil Brown (Ralph Fiennes) vraagt om opgravingen uit te voeren op haar landgoed. Brown is een gewone, volkse man, mrs. Pretty een rijke, ziekelijke weduwe. De tweede Wereldoorlog loert om de hoek, terwijl verschillende musea bekvechten over de schat die Brown uiteindelijk vindt. Maar Pretty heeft ook emotionelere redenen waarvoor ze Browns diensten inschakelt. Als weduwe wil ze het ‘nachleben’ van het verleden eren.

Simon Stone kennen we vooral van zijn straffe theaterwerk bij onder andere Internationaal Theater Amsterdam. In The Dig weet  hij zich dan ook te omringen met behoorlijk wat acteertalent. Zowat de helft van de Britse acteursgilde lijkt aanwezig te zijn geweest rondom het bootvormige gat ergens in het Engelse platteland. Met zo’n cast en crew is het bijna onmogelijk om geen degelijke film af te leveren. Maar meer gebeurt er ook niet.

Er wordt over het algemeen goed geacteerd – al staat het gelegenheidsaccent dat Ralph Fiennes gebruikt hem als een tang op een varken –, de structuur van de film is niet bij de hoorns gegrepen, en zomerse beelden van glooiende Engelse heuvels zijn überhaupt niet in staat om lelijk te zijn. Het is echter het twee uur durende verhaal dat kracht en vaart mist. De opgravingen van mevrouw Pretty en Brown werden onderdeel van een heen-en-weer tussen het British Museum en het Ipswich Museum, waarin de verwezenlijkingen van Brown teniet werden gedaan door een elitair systeem dat deze autodidact niet respecteerde. Stone maakt deze film dus vanuit de nobele poging om Brown in zijn eer te herstellen, maar lijkt ergens in het maakproces toch te hebben moeten toegeven dat schatten opgraven niet zulk meeslepend filmmateriaal is als gehoopt.

The Dig gooit in het gapende het gat immers een hoop extra thema’s en verhaallijnen, en verliest daarin zijn lijn. Halverwege de prent wordt de opgraving overgenomen door de elite, en gebruikt Stone deze verandering om Lily Collins in de film te wurmen met een verhaal over een schijnhuwelijk. De tonale dissonantie van dit liefdesverhaaltje met de rest van de prent, die zich op dat moment toch al op zo’n drietal sporen bevindt, doet het verdere verloop geen goed. Mocht The Dig een serie zijn geweest, waarin elk verhaal zijn eigen behandeling krijgt tegen de achtergrond van een archeologische opgraving, lagen hierin gerust mogelijkheden voor een sterk melodrama.

Jammer genoeg vervalt de film in thematisch knip- en plakwerk, waardoor geen enkele verhaallijn zijn emotionele beats kan doen landen. Beginnen we net te begrijpen wat mevrouw Pretty zo doet lijden aan haar eigen nervositeit, dan worden we plots gevraagd om het gekissebis tussen de curators te volgen, waarna de archeologen van dienst opgewonden worden over munten terwijl ze met termen naar het scherm gooien. Archeologie is verre van een domein van algemene kennis en wanneer je zoveel narratieve draden in twee uur probeert te proppen, krijg je amper de kans om je publiek een beetje te doen wennen aan het jargon. Er zitten bijvoorbeeld prachtige zinnetjes en motivaties in sommige personages, die jammer genoeg zowat uit het niks lijken te komen en ook ergens in het ijle blijven hangen.

The Dig is een nobele poging tot eerherstel, die door overaanbod niet in dat doel lijkt te slagen. Als degelijk en onderhoudend entertainment slaat het de bal niet per se mis, maar wanneer je zelfs met al die krachtige ingrediënten toch geen emotionele snaren weet te raken, blijf je toch op je honger zitten. Basil Brown verdient dat zijn naam gekend is, en dat Ralph Fiennes’ knappe kop daarbij wordt ingezet kan geen kwaad – maar hij verdient ook dat we om hem geven. En daar verandert The Dig niet veel aan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 + 18 =