Grateful Dead :: American Beauty

Drukke, en dure, tijden voor Grateful Dead-fans. Was de rerelease van Workingman’s Dead bij het begin van de zomer al goed voor een klein moment van vreugde, dan mag het dak er nu af, want ook de vijftigste verjaardag van American Beauty wordt met een fraaie heruitgave gevierd.

Twee knallers van studioplaten in hetzelfde jaar. Je moet het maar doen. Zeker als de band in kwestie Grateful Dead heet. “Heeft de Dead ook studioplaten!?” is een even flauw als vertrouwd mopje in Deadhead-kringen, het kransje hardcore-fans dat de band van concert naar concert volgde en ook dit jaar, 25 jaar na het overlijden van frontman Jerry Garcia, al zijn rugzak gepakt had voor een summer tour van spinoff-band Dead & Company. Draaide dat even anders uit.

Gitarist Bob Weir gaf in een recent interview zelfs toe dat het van zijn kindertijd geleden is dat hij zo’n lange periode off the road was. Weir, naast Garcia de belangrijkste stem in de Grateful Dead, is een van de redenen dat de band in dit geval ook in een studio-omgeving zo sterk uit de hoek komt. De twee songs op American Beauty die hij voor zijn rekening neemt, verkregen in geen tijd een klassieke status.

Wat een feest is het immers om, voor de allereerste of voor de ziljoenste keer zijn “Sugar Magnolia” door de ruimte te laten schallen. Het nummer is goed voor een instant geluksgevoel: zacht als een lentebries en niet meer of minder dan een liefdesverklaring aan het leven. “Truckin’”, dat andere Weir-werkstuk, beschrijft dan weer het leven zoals het was tijdens de eerste jaren van Grateful Dead. Weir zingt over het toerende bestaan van de dan nog jonge groep, de drug-busts en dropt en passant de sindsdien kapotgeciteerde regel “what a long strange trip it’s been.”

Bassist Phil Lesh doet zijn duit in het zakje klassiekers en neemt de hoofdrol in “Box of Rain” -wat een openingstrack!- voor zich. “Box”, waarmee Robert Hunter, een van de tekstschrijvers van de band, een creatieve piek bereikte, is een intieme song over sterfelijkheid die, zij aan zij met “Ripple”, dat door Garcia met zoetgevooisde stem in luttele minuten tot een klassieker gekneed wordt, horden nieuwsgierigen tot fans van de band maakte. “Friend of the Devil” is dan weer een mooie illustratie van de invloed die het oude westen had op de Dead, die daarmee in een moeite door coutryfans aan zijn zijde schaarde.

Jerry Garcia heeft Workingman’s Dead en American Beauty ooit omschreven als één grote plaat. Hoewel er zeker verschillen aan te duiden vallen, zit er een grond van waarheid in die stelling, wat duidelijk onderschreven wordt door de harmonieën, die beide albums naar een hoger plan tillen. Zowel in het eerder genoemde “Sugar Magnolia” als in het bijna plechtstatige “Attics of my Life” worden vocale wonderen verricht.

Al mag het er soms ook ruwer aan toe gaan. “Operator” laat organist/zanger Pigpen in een laatste glansrol schitteren. Ron McKernan, zoals het stichtende lid in werkelijkheid heette, kampte met een wankele gezondheid, die hand in hand ging met een alcoholverslaving. Het gevolg was dat voor hem de eindstreep op dat moment al in zicht was.

Dat is tragisch, want voor Grateful Dead begon het met het duo Workingman’s Dead en American Beauty pas écht. De jaren zeventig waren aangebroken, een decennium waarin de band gestaag zou doorgroeien tot een fenomeen dat niet meer te negeren of te stoppen viel. Het concert dat hier als bonus op schijfjes twee en drie te vinden is, vormt een eerste stap in dat waanzinnige decennium.

De show die de band op 18 februari 1971 in Port Chester, NY speelde (drie dagen voor het concert dat de heruitgave van Workingman’s Dead vergezelde), was om meer dan een reden historisch. Niet alleen werden met” Wharf Rat”, “Playing in the Band”, “Bertha”, “Greatest Story Ever Told” en “Lose” vijf songs voor het eerst live gebracht, het was eveneens de eerste show in lange tijd dat de bezetting zo beknopt was. Mickey Hart, die de Dead in september ’67 als tweede drummer had vervoegd, liet de percussie weer volledig in handen van Bill Kreutzmann, nadat pa Hart er met de centen van de groep vandoor gegaan was. Pas drie jaar later zou Hart jr. zijn plaats achter de drumkit weer innemen.

In het kluwen van beschikbare live-opnames van de Dead is het makkelijk verdwalen, maar deze opname kan moeiteloos als een fraaie aanwinst gezien worden voor wie op zoek is naar goeie livemuziek van de band. De rauwe rasp van Pigpen in “It Hurts Me Too” en zijn funky orgel in “Loser”: het laat een band horen die op het punt stond stevig te transformeren. Pigpen zou niet veel later geleidelijk van het podium verdwijnen, waarbij Keith Godchaux vanaf de herfst van ’71 meer en meer de orgelhonneurs waarnam. Het nieuwe lid bracht in een moeite door zijn vrouw Donna Jean mee, wat het vocale spectrum van Grateful Dead gevoelig uitbreidde voor de rest van de seventies. “Greatest Story Every Told” zou nooit meer klinken zoals het hier doet, en dàt is wat deze band zo fascinerend maakt. Alles is constant in beweging. De jaren tachtig klinken heel anders dan de jaren zeventig. Februari 1971 is op zoveel vlakken compleet verschillend van, pakweg, juni 1973. Spreek er vooral eens een Deadhead over aan.

In “Johnny B. Goode” klinkt de Dead als een woeste rockband uit de fifties en “Mama Tried”, de traditional die later in het decennium zou uitgroeien tot een uptempo swinger, is hier een fraaie countrydeun. En dan moet het steevast betoverende “Dark Star” nog komen. Het nummer wordt, in wat eenvoudigweg bekend staat als “Beautiful Jam”, gekoppeld aan “Wharf Rat” tot iets dat een fan online omschrijft als “This is all you need to know about the Grateful Dead.”

Hoewel Grateful Dead vaak afgeschreven wordt als hippiegeneuzel -waar, toegegeven, zo nu en dan iets voor te zeggen valt- ligt hier het bewijs dat deze band vaak zwaar onderschat wordt en dat ze gezien kan worden als een essentieel onderdeel van de Amerikaanse muzikale cultuur in de tweede helft van de twintigste eeuw. Het muzikaal feest dat telkens geboden wordt, verklaart waarom Dead & Co nog steeds arena’s en stadions vult met deze nummers. American Beauty is het perfecte lokmiddel om in deze konijnenpijp te verdwijnen.

Wie aan de rerelease nog geen genoeg heeft, kan op streamingplatformen The Angel’s Share vinden, een verzameling demo’s die het ontstaan van American Beauty illustreren. De podcast The Good Ol’ Grateful Deadcast wijdt dan weer een aflevering aan élk nummer van American Beauty.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + zes =