Pom :: Piet Pienter en Bert Bibber – Integraal 2

De laatste jaren wordt steeds meer werk gemaakt van de ontsluiting van het Vlaamse striperfgoed. Naast nieuwe, gebundelde uitgaves van Nero, De Rode Ridder en de zoveelste Suske & Wiskeverzameling is ook Piet Pienter en Bert Bibber aan een herwaardering toe. De reden dat net deze strips een `herlancering` krijgen heeft ongetwijfeld te maken met jeugdsentiment maar ook, en niet onbelangrijk, het feit dat ze zelfs voor een ouder wordend publiek nog steeds amusant en leesbaar blijven.

In het bijzonder uitgeverij Matsuoka lijkt samen met de Standaard Uitgeverij zijn tanden te zetten in de oude stripreeksen met voornoemde heruitgaves. Het bijzondere aan deze bundels is naast de keuze om voor de eerste druk te gaan er ook steeds inleidende essays of interviews met de maker(s) aan te pas komen. Voor pakweg De Rode Ridder kent dit vaak boeiende en uitgebreide beschrijvingen over het onstaan en geschiedenis van de reeks, maar bij Piet Pienter en Bert Bibber ligt dit alvast heel wat moeilijker. Notoir brompot en einzelgänger Pom was er de man niet naar om samen te werken met anderen of veel interviews te geven. In de eerste bundel kon zijn hele levensverhaal en de geschiedenis van de strip vlot verwerkt worden waar in dit tweede deel een van de weinige interviews met hem de strips voorafgaan.

Het interview is evenwel een plezier om lezen, de vaak norse Pom toont zich van zijn meest menselijke kant en schroomt niet om daarbij zijn kleine kantjes te tonen. Er wordt dan ook geregeld gefoeterd en geklaagd maar tezelfdertijd wordt wel duidelijk hoe vrijheidslievend Pom is en hoezeer hij een hekel heeft aan zowat elke vorm van gezag, wat ook in zijn verhalen naar voor komt. Daarnaast mag duidelijk zijn dat de technisch geschoolde Pom (hij was afgestudeerd als ingenieur) de wonderlijke uitvindingen die hij in in zijn strips toont veel meer stoelt op wetenschappelijke theorieën dan op louter fantasie. Pom was, zo wordt wel duidelijk, niet echt fan van Vandersteens Suske & Wiske dat niet alleen te snel een product werd dat zich van zijn Antwerpse oorsprong afwendde (Pom zou in al zijn strips Vlaams blijven gebruiken), maar ook zijn personages te helfdhaftig maakte.

Hoewel ook Poms personages geregeld in gevaarlijke situaties terecht komen, maakt hij er dan ook een punt van hen niet als onversaagde helden neer te zetten maar als mensen van vlees en bloed die wel degelijk bang zijn en dat niet zomaar van zich afschudden. Onbedoeld maakt Pom in het interview overigens zelf vaak duidelijk waarom net zijn albums blijven aanspreken. De verhalen en personages zijn herkenbaar en hoewel zijn strips zoals hij zelf zegt, niet meteen Nobelprijswaardig zijn en vooral de lezer enkele ontspannende momenten moeten bezorgen, zijn ze zeker niet kinderachtig of ongeloofwaardig. Dat Pom sympathie en bewondering heeft voor Franquin, en enigszins Morris (Lucky Luke) mag uiteindelijk niet verbazen want met beide auteurs heeft hij zeker een vorm van humor en speelsheid gemeen, zelfs al zijn de verschillen tussen hen nog steeds groot te noemen.

Het interview dat in 1981 afgenomen werd, verscheen het jaar nadat Poms strip niet langer in de krant publiceerde en bevat onder meer verwijzingen naar de befaamde `krachtpillen` die in De Kumulusformule voor het eerst aan bod komen alsook Budaarse Rhapsodie, ietwat toevallig de twee strips die deze nieuwe bundel starten en afsluiten. In De Kumulusformule wordt professor Kumulus geïntroduceerd, de geleerde die in meerdere verhalen opduiken zal en zo professor Chalkstone vervangt die in De plakijzerpiraten nog uitvinder van dienst en belangrijk nevenpersonage mocht spelen. Het verhaal start met Bert Bibber die na een ontploffing in een woonhuis ter hulp snelt en daar kennis maakt met professor Kumulus, die een formule heeft ontdekt waardoor hij water in benzine kan veranderen. Uiteraard zijn er kapers op de kust en wanneer de gestolen formule per toeval in de handen valt van Piet Pienter en Bert Bibber gaan de poppen aan het dansen.

Hoewel de formule van een -euhm- gestolen formule klassiek in stripland is, weet Pom er wel degelijk een boeiende draai aan te geven. Zo trachten de schurken verschillende malen de plannen in handen te krijgen en spelen toeval, vreemde figuren en doordachte plotwendingen allemaal een rol in. Doorheen het verhaal lopen Pienter en Bibber meer door stom geluk dan echt speurwerk de dieven tegen het lijf en weten ze vaak tenauwerdood aan gevaar te ontsnappen. De introductie van de befaamde krachtpillen gebeurt al even toevallig wanneer een vermoeide Bibber van Kumulus energietabletten toegestopt krijgt en tegen diens raad in er meerdere slikt, wat hem tijdelijk van een ongekende kracht voorziet.

Met El Rancho Grando treedt oude bekende Susan opnieuw op de voorgrond evenals het befaamde San Felipe dat eerder al fungeerde in De Inca-schat der Cordillera en de karikaturale typering is van de bananenrepubliek geplaagd door revoluties en corruptie. Ditmaal draait alles rond een ranch van Susan waarvoor allerlei geïnteresseerde kopers opduiken net nadat ze een telegram ontving van de beheerder om het niet te verkopen. Uiteraard is er weer veel meer aan de hand en zijn het ditmaal obscure figuren uit San Felipe die er alles aan doen om Susan van de waarheid weg te houden, waarbij geweld en dwang niet geschuwd wordt. De klassieke Pom-humor is volop aanwezig en ook al is het verhaal rechtlijniger, toch weet hij er opnieuw voldoende dubbelspel en intrige in te brengen dat het als avonturenverhaal recht blijft staan.

Een van de klassiekers uit de reeks blijft echter Bibber contra Tutter, dat zich kort na het vorige verhaal afspeelt en waarbij Susan in de handen valt van de gangster W.C. Tutter, die zichzelf overigens als een groter schurk ziet dan Al Capone. Ditmaal zijn de tegenstanders van bij aanvang bekend en bouwt het verhaal grotendeels voort op de wedervaren van Pienter en Bibber terwijl ze in een poging Susan te bevrijden de gigantische operatie van Tutter steeds verder ontmantelen en deze laatste zich genoodzaakt ziet naar zijn ranch te vluchten. Op die manier weet Pom de strip van gangsterverhaal te laten ontpoppen tot klassieke western waarbij ook de oude Hollywoodstudio`s een gastrol spelen. In Bibber contra Tutter toont Pom zich eens te meer van zijn beste kant, inclusief de wat onnozele (taal)grappen en een verhaal dat zich logisch ontwikkelt en toch spanningsopbouw kent.

Het laatste verhaal uit de tweede bundel belooft geen avontuur te brengen maar wanneer Pienter en Bibber besluiten hun verlof door te brengen in Bulderije, waarbij Pom dit keer de draak steekt met zowel met de Oosteuropese Communistische republieken als de Zuideuropese landen alwaar landbouw nog steeds de voornaamste economische activiteit is en militairen de macht wensen over te nemen. In Bulderije heeft kort voor de aanvang van het verhaal een korporaal de macht gegrepen en een wapenindustrie opgebouwd met als doel de wereld te veroveren (de verwijzingen naar Hitler waren bij het verschijnen van de strip voor iedereen overduidelijk). Wanneer Pienter en Bibber besluiten op reis te gaan naar Buldarije, ziet Buldaarse spion hier in de kans om gestolen plannen voor een atoomwapen de grens over te smokkelen, door ze in hun wagen te verstoppen.

Zodra Pienter en Bibber het land binnen rijden worden ze door toedoen van de spion dan ook gearresteerd waarna ze zowat een verhaal lang allerlei pogingen ondernemen te ontsnappen wat tot talloze verwijzingen en knipogen leidt naar allerlei oorlogs- en ontsnappingsfilms. Zoals steeds speelt geluk en toeval een even grote rol als de inzet van beide helden zelf en hekelt Pom doorheen het hele verhaal elke vorm van gezag en aurotiteit. Buldarije zelf is dan ook een amalgaan van verschillende staten en gebeurtenissen die Pom vooral de kans geven het militaire apparaat te ridiculiseren. Het land zal dan ook net zoals San Felipe in een aantal verhalen als achtergrond fungeren, wanneer Pom zijn satirische pijlen sterker richt op oorlogsvoering en expansiepolitiek.

Piet Pienter en Bert Bibber – Integraal 2 hoeft niet onder te doen voor het eerste deel en bewijst hoezeer Pom in zijn eerste verhalen al meteen zijn eigen stijl en kenmerkende humor beet had. Zijn helden vertonen weinig van de ijzeren daadkracht of moed van andere striphelden maar zijn net menselijker in de manier waarop ze zich doorheen tegenkantingen slaan. Ook de schurken zijn in hun meedogenloosheid vaak onbedoeld amusant en zijn ondanks hun soms knappe machinaties geen groteske misdadigers die op het randje van genialiteit balanceren. De tweede integrale bevestigt wat kenners al lang weten: Piet Pienter en Bert Bibber zijn Vlaams striperfgoed.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien − 1 =