Piet Pienter en Bert Bibber :: Integraal 7

Met de publicatie van de zevende integraal is bijna twee derde van Poms oeuvre opnieuw beschikbaar gemaakt. De nukkige auteur liet, hoewel hij ruim de negentig jaar haalde, een relatief bescheiden aantal strips na, niet in het minst vanwege zijn moeilijke en uitgesproken karakter. Die aparte persoonlijkheid was echter ook zijn sterkte. Geen andere strip was zo uniek als de reeks Piet Pienter en Bert Bibber zonder de mal van de klassieke Vlaamse stripreeks te breken. Toegegeven, Willy Vandersteen, Marc Sleen en Jef Nys hadden ook hun eigen stem maar Pom bleef toch een categorie apart.

Tot de belangrijkste verschillen hoorde uiteraard Poms achtergrond, als enige onder hen had hij geen artistieke opleiding gevolgd maar wel een wetenschappelijke (hij was opgeleid als technisch ingenieur). Mede doordat zijn in Duitsland tijdens de oorlogsjaren behaalde diploma niet erkend werd, besloot hij maar striptekenaar te worden. Zijn technische kennis en achtergrond bewaarde hij echter niet alleen voor eigen ‘uitvindingen’ en reparaties van toestellen maar vond ook zijn weg naar zijn strips waarbij professor Kumulus, die in verschillende verhalen een rol speelt, Poms meer wonderbaarlijke uitvindingen tot leven bracht. Een Vlaamse (Belgische) strip zonder een professor die een belangrijke rol speelt is uiteraard ondenkbaar (een belangrijke uitzondering vormt Merho’s Kiekeboe/De Kiekeboes), maar die van Pom verschilde op een belangrijk vlak van alle andere.

In de korte inleiding die aan de verhalen in deze bundel voorafgegaan wordt, gaan enkele (bekende) stripkenners dieper in op de belangrijkste stripprofessoren en waarin ze van elkaar verschillen. Zowat iedereen is het er over eens dat Poms uitvindingen niet alleen het meest realistisch zijn maar in verschillende gevallen ook later gerealiseerd zijn, zij het uiteraard niet altijd op de manier waarop Pom het zelf zag. Bij Pom was een uitvinding net als zijn concullega’s uiteraard geregeld een startpunt voor een verhaal maar anders dan bijvoorbeeld met de teletijdmachine of de vliegende bol gebeurde, hield hij er niet van in herhaling te vallen of te vaak eenzelfde element als een vorm van deus ex machina te gebruiken. Zelfs zijn befaamde krachtpillen die van Bibber een Jerom of beter Asterix maakte, werden maar met mondjesmaat gebruikt en in Invasie uit het heelal zelf, weliswaar per ongeluk, omgewisseld met laxeerpillen.

Die wissel in pillen vormt ook de basis voor Hypnosepillen (1958). Wanneer Susan tot haar angst ontdekt dat ze drie gram verdikt is, wendt ze zich tot Kumulus om hulp. Die is maar al te bereid voor haar ‘vermageringspillen’ te maken maar wanneer hij die verwisselt met pillen bedoeld voor een collega, blijken die laatste de opvallende bijwerking te hebben dat de gebruiker tijdelijk hypnosekrachten krijgt. Tot ongenoegen van Pienter en Bibber gebruikt Susan haar nieuwe vermogen om hen allerlei huishoudelijke taken te laten verrichten. Moegetergd steelt Bibber op een avond de pillen en geeft hij ze aan een overvaller. Die laatste blijkt de handlanger van Jakobus Slurf (zie album 16 De verborgen schat) te zijn, die met behulp van de pillen verschillende overvallen op banken en juweliers pleegt.

Het verhaal is relatief rechttoe rechtaan en kent zelfs weinig kat-en-muisspelletjes, Slurf hypnotiseert gewoon de andere elke keer hij in de knoei komt. Pom kiest dan ook volop voor humor en dit door zowel in zijn verhaal zelf de nodige grappen te stoppen alsook op de achtergrond en ‘tussenkomsten’ van de auteur met de nodige kwinkslagen te brengen. Hoewel Pienter en Bibber samen met Susan uiteindelijk Slurfs buit weten te bemachtigen, blijft het geheel verstoken van echte actie. Zoals wel vaker mag commissaris Knobbel opnieuw opdraven als de hopeloze, hulpeloze maar ook arrogante arm der wet. Ditmaal toont Pom enige sympathie voor Knobbel als de kop van jut. Finaal trekt hij echter opnieuw aan het kortste eind. Dat Hypnosepillen ondanks een gebrek aan actie toch de nodige vaart en spanning heeft, is volledig te danken aan Poms talent als verteller en grapjas.

Van een heel andere orde is Het geval “Warwinkel” waarin professor Kumulus’ oude schoolvriend en collega-wetenschapper Hilarius Warwinkel zijn eerste opwachting maakt. Hoewel minsten even geleerd als Kumulus houdt Warwinkel minder rekening met de gevaarlijke consequenties van zijn uitvindingen. Wanneer hij zijn elektronische gedachtenlezer voorstelt, zijn Kumulus en Bibber proefkonijn. Het apparaat is in staat onder meer intelligentie van de ene persoon naar de andere over te brengen, waardoor Bibber opeens superintelligent wordt en de professor oerdom. Een groter gevaar is echter dat het apparaat ook in staat is een hele persoonlijkheid van lichaam te switchen waardoor een identiteit stelen (of lenen) een fluitje van een cent wordt.

Warwinkel beseft de implicaties van zijn uitvinding, nog meer wanneer Pienter ontdekt dat ze afgeluisterd worden. Wanneer de plannen aan professor Kumulus toevertrouwd worden, duiken enkele Chinese spionnen op die Warwinkels uitvinding willen gebruiken om de ideeën van hun grote leider Lao Tsjing Boem (een overduidelijke knipoog naar Mao Zedong/ Mao Tse Toeng) verder te verspreiden. Het verhaal neemt naar het einde toe echter een onverwachte wending waarbij de bij de start van het verhaal geïntroduceerde leugendetector een belangrijke rol speelt. Pom zet ditmaal duidelijk veel meer in op actie maar vergeet daarbij nooit zijn kenmerkende humor te brengen zonder dat dit het verhaal ondergraaft. Zo haalt de Chinese spion continu gezegden aan van Tsjing Boem waarmee hij spot met Mao’s befaamde Rode Boekje vol ‘wijsheden’, en is Bibber geregeld slachtoffer van zijn eigen kleine karaktertrekken.

Dat Pom nooit hoog opliep met gezag was geen geheim, in Superbrandstof en Pikante saus (1971) geeft hij het leger dan ook een flinke pandoering terwijl hij inspeelt op de toen heersende manie van ruimtevluchten en raketten. Niet geheel toevallig duikt de raketgeleerde Willibaldus Van Bruin (een hint naar Werner Von Braun) op die een ruimteraket bouwt en bij Kumulus aanklopte voor een formule voor brandstof. Wanneer via Theo Flitser uitlekt dat Kumulus een nieuwe brandstof heeft uitgevonden, zijn er uiteraard kapers op de kust. Meer bepaald wil een firma gespecialiseerd in vuurwerk en explosiemateriaal ze in handen krijgen. In haar pogingen ze in handen te krijgen, vernietigen ze echter Van Bruins testsite waardoor die zich genoodzaakt ziet met het leger samen te werken, tot groot ongenoegen van Kumulus.

Uiteraard is dit maar de grote lijn van het verhaal, de pikante saus speelt evenzeer een belangrijke rol en is net zo goed door Kumulus bedacht op vraag van Susan. Bovendien laten Kumulus noch Van Bruin zich in de luren leggen door het leger die beweert het werk van Kumulus en Van Brui louter voor vredevolle doeleinden te gebruiken. Het is een interessant samenspel van doelen, plannen en gebeurtenissen die Pom hier door elkaar klutst en elkaar laat beïnvloeden waardoor het einde van het verhaal op geen moment te voorspellen valt en alle schijnbaar losse eindjes toch met elkaar verbonden worden. Zonder twijfel is Superbrandstof en Pikante saus een van de complexere Piet Pienter en Bert Bibber-verhalen, wat nog meer in de verf gezet wordt door de vergelijking met het daarop volgende De Dubbelganger (1973).

De kans dat ook niet-identieke tweelingen ergens een dubbelganger rondlopen hebben, is groot. Meer zelfs, volgens sommige wetenschappers is statistisch gezien de kans groot dat het er zelfs tot zes kunnen zijn. In hoeverre die volledig identiek zijn, is veeleer voer voor speculatie maar in De dubbelganger heeft Bert Bibber die niet alleen, hij woont ook nog eens in dezelfde stad als zijn dubbelganger. Helaas voor Bibber is zijn evenbeeld Vlotte Willem karakterieel uit heel ander hout gesneden en vooral actief als (kleine) crimineel. Wanneer zijn kompaan getuige is van hoe Bibber per ongeluk met hem verward wordt, besluiten ze van die gelijkenis gebruik te maken om diefstallen te plegen en Bibber er voor te laten opdraaien.

Met behulp van een vrouwelijke compagnon weten ze ook een ersatz-Susan in te schakelen om het geheel geloofwaardiger te maken. Hoewel zelfs Knobbel niet gelooft dat Bibber op het slechte pad zou raken, wordt hij wel vervolgd door de politie. Uiteraard hebben Vlotte Willem en Gladde Manus er alle belang bij dat Bibber op vrije voeten blijft zolang ze hun misdrijven plegen, wat Bibber nog verdachter maakt nadat ze hem uit de gevangenis bevrijden. Finaal is het dan ook aan Pienter en Susan, met de hulp van Theo Flitser om Bibbers onschuld te bewijzen en de echte daders in de val te lokken. De rechttoe rechtaan-aanpak werkt wonderwel en geeft aan de strip een detective-inslag die uitstekend werkt. Ditmaal zijn er geen wetenschappelijke uitvindingen of andere ingrepen nodig om een verhaal te brengen dat tot de laatste tekening weet te boeien. Dat Pom ditmaal zelfs zijn grappen terugschroeft, valt niet eens op.

Zeven integralen en negentwintig verhalen ver hoeft niet meer onderstreept te worden hoezeer Poms Piet Pienter en Bert Bibber-reeks hun plaats binnen de (Vlaamse) stripcanon verdiend hebben. In navolging van de vorige bundels valt eens te meer op hoe divers de insteken zijn en Pom als verteller uit verschillende vaatjes weet te tappen om zijn lezers te boeien. Met nog zestien verhalen (vier integralen) te gaan heeft de Pom-fan nog voldoende om naar uit te kijken. In tussentijd kan die echter de honger stillen met nummer zeven, een must voor elke stripfan.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

achttien + 4 =