enola’s vijftig beste platen van de jaren ’10

Dit is het allerbeste wat het decennium heeft voortgebracht.

Video killed the radio star? Misschien. Dit is in elk geval zeker: Spotify is nog niet dodelijk gebleken voor de plaat. Want als we bij enola serieus met de tanden hebben geknarst om tot de vijftig beste platen van het decennium te komen, dan kwam dat niet door een gebrek aan consciëntieus afgewerkte meesterwerken.

Integendeel: het aflopende decennium bracht zóveel moois. Platen van iconen, die intussen hun laatste adem hebben uitgeblazen. Instant classics van Belgische makelij. Mijlpalen in punk en folk, hiphop en metal – en hoe label je eigenlijk iets als Double Negative? Radiohead sloeg nog eens aan het dagdromen, PJ Harvey leverde de beste oorlogsverslaggeving af, en Kanye West toonde zich incontournable.

Na slapeloze kantooruren en ettelijke Sophie’s choices is de redactie tot een finale lijst gekomen. Ze wordt u hieronder netjes gepresenteerd, in vijf afleveringen. Dit zijn ze: enola’s vijftig beste van de jaren ‘10.

50. Peter Evans Quintet :: Ghosts (2011)

Een kleine drie decennia vrij intensief concertbezoek leerde ons heel wat dingen. Niets mis met Duvel uit het flesje, The Ex stelt nooit teleur en ook: niemand is zo goed als Peter Evans.

De trompettist behoort tot het selecte clubje muzikanten dat grenzen blijft verleggen terwijl je dacht dat alles intussen al gezegd was. De man hoort thuis in het rijtje waar onder meer Jimi Hendrix en Evan Parker de plak zwaaien. Figuren die het vocabularium van hun instrument zo overtuigend uit elkaar rukken en doen ontploffen, dat het ronduit intimiderend wordt. Techniek in combinatie met eindeloze fantasie en ijzeren discipline. Dat leidt ook in het geval van Evans soms ook tot acrobatie die even bevlogen als hermetisch is, maar in de juiste dosis of context (Zorns Bagatellen-kermis deze zomer, bijvoorbeeld), mist het nog altijd z’n effect niet.

Zo ook op deze kwintetplaat, die verscheen op ‘s mans eigen label, More Is More. Evans krijgt hier weerwerk van een virtuoze ritmesectie (pianist Carlos Homs, bassist Tom Blancarte en drummer Jim Black), maar het is vooral de interactie met de live-processing van Sam Pluta die Ghosts naar duizelingwekkende hoogten stuwt. Dit is nog altijd jazz, van de échte soort – mét swing, rondjes solo’s en verwijzingen naar decennia jazztraditie –, maar dan vinnig uitgewerkt via ritmische hoogstandjes, desoriënterende zijstappen en eindeloos echoënde effecten. Luister aandachtig, en je hoort het verleden, het heden én de toekomst samengebald in een klein uurtje pirouettes draaien naast een ravijn. (gp)

Lees hier de recensie.

49. Savages :: Silence Yourself (2013)

De thematiek, hun looks, het geluid: voor Savages zal zwart altijd het nieuwe zwart zijn. Het viertal uit Londen tekende, naast een rist vurige liveshows, voor een van de sterkste debuten van het decennium. De groep creëerde haar eigen momentum en een ‘revival van de postpunkrevival’ met agressieve ritmes en de humeurigheid van Joy Division als hoofdingrediënten.

Frontvrouw Jenny Beth sist je toe als een Siouxsie Sioux met Franse tongval die je elk moment een Glasgow kiss kan toewerpen, terwijl de baslijnen van Ayse Hasan het vijfde groepslid in de schaduw uitmaken. De focus is intens en de dynamiek gebalanceerd, zowel in de structuur binnen een song als in de afwisseling tussen duistere downtempo adempauzes en messcherpe pieken. Krijg je er gratis bij: een donkere vorm van vrouwelijke sensualiteit die niet noodzakelijk ten prooi valt aan de gewoonlijke, uitgelubberde clichés. Brutaal en anders mag, onder meer in “She Will”: “Get hooked on loving hard / forcing the slut out”. Een gebalde vuist en zucht van verlichting ineen. We horen het Cigarettes After Sex nog niet fezelen. (se)

Hoogtepunt: “Husbands” is opgetrokken uit neurotische ritmes, manisch gehijg en een refrein als een uppercut. Honderd procent raak.

Lees hier de recensie.

48. Nicolas Jaar :: Space Is Only Noise (2011)

Met beide Amerika’s onder zijn ziel – hij werd geboren in New York uit Chileense ouders en groeide daar ook deels op zonder vader – mag het niet vreemd heten dat Nicolas Jaar een eigenzinnige visie op electro zou ontwikkelen. Hij was nauwelijks 21 jaar oud toen hij debuteerde met Space Is Only Noise, waarna zowat iedereen die om welke reden dan ook buiten de geijkte muziekpaden wandelde, hem meteen in de armen sloot. Beïnvloed door uiteenlopende artiesten als jazzpianisten Dave Brubek en Keith Jarret, house-dj en producer Ricardo Villabolos en bard Leonard Cohen weet Jaar een heel eigen universum te creëren waar hij bovendien jaren aan timmerde en schaafde. Space Is Only Noise stuitert zowat alle richtingen op. Dat is niet vreemd, gezien de ontstaansgeschiedenis. Maar nergens duikt het gevoel op dat hier een aantal schetsen bij elkaar gegooid zijn. Het kernwoord heet dan ook melancholie, dat in verschillende verschijningsvormen de rode draad van het album vormt. (jb)

Hoogtepunt: Met “être” laat Jaar meteen de teneur van het hele album bepalen. Stemflarden en straatgeluiden vermengen zich met voorzichtig beroerde pianotoetsen en roepen filmbeelden in zwart-wit op van Italiaanse grootmeesters die een patent op tristesse en melancholie hadden. De toon voor de rest van de plaat is gezet.

Lees hier de recensie.

47. D’Angelo & The Vanguard :: Black Messiah (2015)

Na meer dan een decennium ergens in de backstage te vechten met drugs en andere demonen verrees dé sexgod van de millenniumwissel als Groot Politiek Soulster. Black Messiah groovet en swingt als vanouds, maar gaat tegelijk breder en dieper dan ooit.

D’Angelo lijkt wel een andere artiest geworden. Het album wringt en schuurt evenveel als het verleidt. Slechts hier en daar klinken flarden die aan Brown Sugarof “Untitled (How Does It Feel)” (uit Voodoo) doen denken. Black Messiahwas bij de eerste beluisteringen wat taai, maar ontpopte zich tot een groot soulklassieker.

Waarmee D’Angelo zich zonder veel blozen naast Marvin Gaye, Curtis Mayfield, Bill Withers en Prince in de eregalerij van de soul mag plaatsen. Dat we intussen alweer vijf jaar op het snel aangekondigde volgende album wachten, draagt alleen maar bij aan de legende. (mvm)

Hoogtepunt: Een halve minuut diep in “1000 Deaths”, wanneer Pino Palladino’s hikkende bas Questloves zotte drumlijn vervoegt.

Lees hier de recensie.

46. Vampire Weekend :: Modern Vampires of the City (2013)

Twee albums lang maakte Vampire Weekend relatief simpele indiepop, die bij wijlen irritant slim was. Het had te maken met die Afrikaanse invloeden, met zingen over de Oxford comma en met algemeen hoogopgeleid en welopgevoed te wezen.

Op album drie worden ook muziek, arrangementen en productie slimmer dan je de songs op het eerste gehoor zou nageven. Alles klinkt weliswaar organisch, maar onder de koptelefoon vallen de vele details op en begint een mens te vermoeden dat zowat alles door een filter, sampler of ander studiotrucje gepasseerd is. Het levert een klein meesterwerkje op waarop de vampieren donkerder, wijzer en zoveel rijker dan voorheen klinken. Helaas werd het ook de zwanenzang van de songschrijvertandem Rotsam Batmanglij en Ezra Koenig. (mvm)

Hoogtepunt: “Step”, ter hoogte van de vijfde seconde: engelenzang, een hiphopbeat, piano, klavecimbel en een zeer droge break. Het beste moment van hun allerbeste song.

Lees hier de recensie.

45. Thé Lau :: Platina Blues (2014) 

Muzikaal testament. Het blijft een beladen en bitterzoet begrip, dat al eens louterend kan werken. Zowel voor artiest als voor publiek. Zo ook bij Thé Lau. Op Platina Blues verwerkt hij een kankerdiagnose die ongetwijfeld hard moet zijn aangekomen. Maar ondanks alle pijn en miserie weet hij ook hoop te brengen: al is de dood op jacht naar hem, hij geeft zich zomaar niet gewonnen, hij zal vechten tot zijn laatste snik.

Op muzikaal vlak klinkt de plaat soms wat jachtig en ongedurig, maar zodra Lau begint te zingen, zorgt zijn stem voor de perfecte tegenbalans. Dat slepende en krakende stemgeluid weet als geen ander melancholie én hoop uit te drukken. Thé Lau was een meester in uitgepuurde, rake teksten, en Platina Blues is ongetwijfeld zijn magnum opus. (kvp)

Hoogtepunt: “Platina Dag”: de uitbundigheid waarmee Thé Lau “Goedemorgen meneer Lau” uitschreeuwt, verraadt het gemoed van een gelukkig man.

Lees hier de recensie.

44. The Flaming Lips :: The Terror (2013)

Aan gematigdheid doen The Flaming Lips niet. Frontman Wayne Coyne is, zoals men dat in het Engels zo mooi uitdrukt, all over the place, een plaat is niet meer dan een excuus om alle richtingen op te schieten. Op The Terror is dat niet meer het geval. De duisternis heerst, en doet dat van begin tot einde, met een claustrofobisch en bezwerend geluid. En dat kon misschien ook niet anders, met een Coyne die een twintigjarig huwelijk de vernieling had ingereden en een Steven Drodz die even opnieuw van het drugspad af sukkelde; wat overbleef was de muziek, en daar maakten ze samen het beste van.

Wat anders kon hen redden? “The Terror, weten we nu, is dat zelfs zonder liefde het leven doorgaat. Er is geen genadeschot”, liet Coyne destijds optekenen. En zo klinkt die dertiende ook: alleen, verlaten, verloren. Het is een resolute antipopplaat. Weg is de bombast van voorganger Embryonic, wat overblijft zijn drones, lang uitgesponnen, kale grooves, klanken die eenzaam de leegte in draaien. Het mag voor Coyne en Drodz dan een dieptepunt zijn geweest, artistiek is deze plaat, die nadrukkelijk als één geheel aanvoelt, een topmoment. (mvs)

Hoogtepunt: “You Lust”. Een dertien minuten durende trip die nooit verveelt.  

Lees hier de recensie.

43. The Bony King Of Nowhere :: Silent Days (2018)

Eén van de twee Belgen in deze lijst, en néén, dat is niet omdat we nog een excuus-Vlaming nodig hadden. De voornaamste reden dat The Bony King Of Nowhere hier staat te schitteren, is dat wij maandenlang gelééfd hebben met dit album, erin gewoond tot we elk hoekje en kiertje kenden.

The Bony King mocht vroeger dan al mooie platen afgeleverd hebben, met deze break-upplaat wordt Vanparys echt volwassen als songschrijver, zowel tekstueel als muzikaal. Zelden wist iemand, zeker in ons Belgenlandje, de maalstroom van een relatiebreuk zo eerlijk, zo persoonlijk en tegelijk zo herkenbaar en universeel te verwoorden. Muzikaal zijn de inspiratiebronnen duidelijk, maar de groep overstijgt die ruimschoots. We overdrijven niet als we zeggen dat Silent Days zonder blikken of blozen naast het beste van The War On Drugs en Kurt Vile kan staan. Het is een melodisch tot in de puntjes uitgewerkt album dat toch niet onder zijn eigen gewicht bezwijkt. En zelfs zonder alle franjes – zo bewijzen de uitgebrachte demoversies – blijven de nummers overeind. De songs van Silent Days tonen zowel in de rust van de huiskamer als op het podium dat Bram Vanparys en zijn kompanen een wereldband zijn. Noteer maar: een wereldband. Want als je een plaat kan laten openen met een song als “Going Out”, en er daarna nog eens acht zo’n prachtnummers aan kan toevoegen, dan mag dat. (ml)

Hoogtepunt: Wanneer op opener “Going Out” de band invalt, Bram Vanparys “I keep on keeping on” aanheft, en je beseft dat dit wel eens een heel emotionele rit zou kunnen worden.

Lees hier de recensie.

42. PJ Harvey :: The Hope Six Demolition Project (2016)

Op Let England Shake (2001) dook ze de geschiedenis in om er de blijvende gevolgen van de Eerste Wereldoorlog te beschrijven. Voor haar tweede plaat van het decennium keek Polly Jean Harvey naar de impact van hedendaagse conflicten. Samen met fotograaf Seamus Murphy trok ze naar plaatsen waar de oorlog recent een impact had: Afghanistan, Kosovo en Washington D.C. De gruwelen van de slagvelden, het lot van de slachtoffers: dit is geen opgewekte plaat. Maar door de directheid en bovenal de sterke songs – die rocken, ontroeren of gewoonweg de verrotte toestand van de wereld aan de kaak stellen – is dit het album waarmee PJ Harvey in het voorbije decennium definitief uitgegroeid is tot een stateswoman van de rock. (bw)

Hoogtepunt: “The Wheel”, waarin Harvey mijmert over de tol van oorlog.

Lees hier de recensie.

41. Daughter :: Not To Disappear (2016)

Was Daughter op debuut If You Leave nog het vehikel dat de folky songs van Elena Tondra voorzichtig inkleurde, je hoorde wel dat de groep gevoel voor textuur en arrangement had. Op opvolger Not To Disappear ging de band luider spreken, eiste gitarist Igor Haefeli een prominente rol op, en werd Daughter pas echt een groep. Op zijn tweede klinkt het trio forser, steviger en interessanter. De dagboekteksten van Tondra krijgen pas echt een ongemakkelijk gevoel door de glazen postrockgitaren van Haefeli, drummer Remi Aguilella hamert er bij momenten (“How”) niet naast.

Maar het zijn dus de teksten die zorgen dat Not To Disappear plots diep onder je huid blijkt te steken. Tonra is een zoekende ziel die worstelt met zichzelf, en dat in trefzekere en herkenbare zinnen weet neer te schrijven. Het begint al met die openingssong “New Ways” waaruit de albumtitel wordt ontleend, in “Alone / With You” is het onbehagen helemaal voelbaar. “I hate living alone / Talking to myself is boring conversation / Me and I are not friends / She is only an acquaintance”, zingt ze, en het klinkt zoals dat leest: onrustig.

Over een zuigende synthlijn bouwt het laagje na laagje op, zoals het isolement Tonra in een slechte relatie overspoelde. Het is de triomf van vorm en inhoud die elkaar vinden en versterken, en het maakte van Daughter een van de meest belovende nieuwe bands uit de jaren tien. (mvs)

Hoogtepunt: “New Ways”. Het begint waar alles op deze plaat begint, bij een vijfentwintigjarige die haar plek in de wereld en vooral in een relatie zoekt en niet vindt. “I’m trying to get out / Find a subtle way out / Not to cross myself out / Not to disappear” herhaalt Tonra keer op keer, en je voelt de onrust.

Lees hier de recensie.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 10 =