Peter Evans Quintet :: Ghosts

Of je nu een fan bent of niet, het valt niet te ontkennen dat trompettist Peter Evans als geen ander pogingen onderneemt om het vocabularium van de jazz en geïmproviseerde muziek binnenstebuiten te keren en waar mogelijk aan te vullen. Op Ghosts gebeurt dat op onnavolgbare wijze, door een brug te slaan tussen het verleden en het heden en de deur naar de toekomst wagenwijd open te zetten.

Een beschouwing bij een concert leidde op de Nederlandse jazzsite Draai Om je Oren onlangs nog tot de titel Peter Evans kan alles — maar is alles ook muziek? De muzikant verdeelt de meningen en dat hij zich ook nog eens beweegt in middens die eigenlijk vrij ver van elkaar verwijderd zijn, wakkert die verwarde, uiteenlopende reacties nog eens aan. Er gaapt immers een immense leegte tussen de spectaculaire capriolen van Mostly Other People Do The Killing (een kwartet dat ondanks z’n rebelse imago in de traditie verankerd is) en z’n veeleisende soloalbums op het Psi-label. Of het werk met z’n kwartet, dat ook behoorlijk ver buiten de lijntjes kleurt. Op Ghosts wordt de nadruk nog maar eens verlegd.

Het album kwam er voor een stuk nadat Evans als lid van Evan Parkers Electro-Acoustic Ensemble in aanraking was gekomen met muziek waarbij het akoestische in de clinch gaat met live elektronica. Dat gebeurt dan niet door toevoeging van onafhankelijk opererende laptopkunstenaars, maar door het rotzooien met ‘live processing’, een soort van live bewerking, waarbij de extra man zich eigenlijk kan laten gaan met het geluid dat door de anderen wordt voortgebracht: het spel van de trompettist wordt bijvoorbeeld een fractie van een seconde vertraagd en teruggekaatst, waardoor het lijkt alsof je twee muzikanten simultaan hoort. Maar het gaat ook verder: laat de onderbreking iets langer duren en het lijkt alsof twee (of meerdere) muzikanten elkaar achtervolgen. En dan valt het geluid natuurlijk nog te manipuleren, waardoor volledig nieuwe combinaties, klanken en zelfs ritmes ontstaan.

Evans mag dan wel beweren dat het bewerkingsproces niet de aandacht naar zich toe wil trekken, maar het is natuurlijk onvermijdelijk dat het wel gebeurt, zeker als je maar één muzikant in de frontlinie hebt. Op deze plaat wordt Evans ondersteund door een driekoppige ritmesectie, met drummer Jim Black, bassist Tom Blancarte (ook lid van het kwartet) en de 24-jarige pianist Carlos Homs. Sam Pluta is de elektronicaman van dienst en hij zorgt ervoor dat de dominantie van Evans enigszins bijgesteld wordt. Het boeiende is dat ook dat kan gebeuren via composities die eigenlijk zeer traditioneel aanvoelen. Opener “…One To Ninety Two”, dat geïnspireerd werd door Mel Torme’s “Christmas Song”, lijkt van op een afstand op een stuk bebop dat afwisselt tussen danszaalgezelligheid en vlotte passages met typische gezwinde solo’s.

De bewerkingen van de trompet zorgen wel vanaf het begin voor een besef dat er een ‘stoorzender’ aan de gang is die soms afwezig lijkt (of nét niet), maar op andere momenten weer zorgt voor echoënde effecten of sidderende en hissende nevengeluiden (zoals in de glitch elektronica) die in deze context haast een sci-fi-element lijken toe te voegen. Evans lijkt niet enkel het jazzverleden te willen verenigen met een hedendaagse manier van componeren en soleren, maar herhaalt dat ook nog eens op het niveau van de uitvoering: de (zopas) gespeelde muziek wordt nog eens herhaald, al dan niet in gemutileerde versie, wat soms een hallucinante draai aan de muziek geeft. Dat is nog veel duidelijker uitgewerkt in het ritmisch hypnotiserende “323”, waarin Pluta vrij spel lijkt te krijgen.

Andere uitersten vind je terug bij “Ghost” en “Chorales”. Is het eerste een schimmige ballade, waarbij je een koptelefoon nodig hebt om de subtiele ingrepen van Pluta te horen, dan gaat het tweede er veel vastberadener tegenaan, met krachtig spel dat gecounterd wordt door verwarrende en verdubbelende effecten en een sectie waarin piano- en trompetpatronen haast tot in het oneindige herhaald worden met een compleet desoriënterend effect. Een langer stuk als “Articulation” krijgt door z’n steeds verschuivende ingrepen en labyrintische structuur ook iets van een muzikaal doolhof, waarbij de muzikanten verdomd goed lijken te weten wat de bedoeling is, maar amper hints geven over een verdere afloop. Afronden gebeurt dan weer met een korte versie van Hoagy Carmichaels wollige klassieker “Stardust” uit 1927.

Wie het onlangs verschenen Kopros Lithos (een trioplaat van Evans, Mats Gustafsson en Agusti Fernandez) hoorde, zal ongetwijfeld erkennen dat deze plaat in vergelijking daarmee klinkt als een popplaat. Maar op zijn eigen manier is Ghosts misschien wel nog een stuk avontuurlijker, omdat het een virtuoze relatie tot stand brengt tussen muziek die met één been in de traditie staat en een zeer hedendaagse manier van musiceren met een extra element dat ervoor zorgt dat het geheel van componeren, improviseren en uitvoeren op een heel andere manier bekeken kan worden. Hoe je het ook draait of keert: Evans probeert de traditie nieuw leven in te blazen, met doorgaans prachtige resultaten. De toekomst is verzekerd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − 18 =