Motorpsycho :: The Tower

Na een bestaan van bijna dertig jaar, een fabuleuze concertreputatie en een discografie die maar blijft uitzetten (als we ’t goed hebben, zitten de heren intussen aan een stuk of 19 albums, naast de talloze live-albums, samenwerkingen, EP’s, singles, etc), lijkt het niet meer dan gepast om Motorpsycho te beschouwen als een van Europa’s cruciale bands. Met The Tower wordt weer een kloek hoofdstuk toegevoegd aan een saga die intussen aanvoelt als een duizelingwekkende, muzikale kleurenkaart.

2016 was het jaar dat drummer Kenneth Kapstad er na bijna een decennium dienst mee kapte. In die tijd had de band z’n liefde voor progrock en complexe arrangementen tot het uiterste gedreven, met een reeks albums die muzikaal indrukwekkend klonken, maar voor sommigen ook iets hadden van uit de hand gelopen foliekes waar een strenge eindredacteur eens door zou moeten razen. Motorpsycho was op weg om een band te worden die respect afdwingt, maar zelden nog zorgt voor verrassingen of materiaal dat je écht bij de lurven greep. In een verbond als dat van Bent Sæther en Hans Magnus Ryan is elke toevoeging meteen goed voor een impact, dus het was uitkijken naar wat de komst van de jonge Tomas Järmyr teweeg zou brengen. Die houdt zich ook op in werelden van improvisatie en drones (Yodok, Yodok III), hectische herrie (Zu), grindcore (Forræderi) en malle kauwgomballenacrobatie (The MaXx), dus het was de vraag of dit iets zou veranderen.

Dat valt nogal mee. Järmyr past zich probleemloos in de sound en stijl van het beruchte tweespan in en lijkt er niet op uit om het evenwicht te verbreken. Zijn spel lijkt doorgaans vrij rechttoe-rechtaan, maar zelfs in de meest rechtlijnige passages voel je wel nog die souplesse, die kleine accenten en het vermogen om de songs dat beetje extra te geven. Tegelijkertijd lijkt het wel alsof het album ondanks z’n lange speelduur (84 minuten) en een voorkeur voor kloeke songs (slechts twee van de tien duiken onder de zes minuten, twee anderen halen een kwartier) iets minder sterk inzet op complexe arrangementen. Een paar van de epische marathons zweven minutenlang voorwaarts, soms wel met toenemende spanning, maar zonder dat er noemenswaardige structuren opgebouwd worden. Dat zorgt ervoor dat het allemaal te behappen blijft.

Begrijp ons echter niet verkeerd: het talent voor het schrijven voor compacte popsongs hebben ze al lang terzijde geschoven in het voordeel van majestueus uitwaaierende marathons op de wip tussen psychedelica, hardrock, progrock, spacerock en een scheut folk. Motorpsycho zoekt nog altijd een link tussen Topanga Canyon en Griekse mythologie, tussen Wishbone Ash en Led Zeppelin, Hawkwind en Yes, en klinkt en passant als Masters Of Reality, Blue Öyster Cult en King Crimson. Het is hier één en al jaren zeventigexces dat de klok slaat. De prachtige hoes van Håkon Gullvåg is een verwijzing naar De toren van Babel van Pieter Bruegel de Oude, het aardse wordt regelmatig achtergelaten (“Bartok Of The Universe”), er wordt gespeeld met eeuwenoude symboliek (“The Maypole”, “The Cuckoo”) en er wordt een link gelegd naar Plato of, nog waarschijnlijker, Hieronymusch Bosch (“Ship Of Fools”). A recipe for disaster, zoals dat dan heet. Valt allemaal nog mee. Psychonauts kunnen intussen wat aan, en de rest moet maar volgen. Of niet.

Voor de opnames werd naar Californië getrokken. Het grootste deel ervan gebeurde in Los Angeles, terwijl de twee korte, pastorale songs werden vastgelegd in Rancho De la Luna, zo’n beetje Stonerrock Central. Ze kregen daarvoor de hulp van Alain Johannes (zie QOTSA, Mark Lanegan,…), maar voor de rest is dit muzikaal een trio-onderonsje. De goede verstaander weet natuurlijk dat dat meer dan voldoende is om majestueus te rocken, zoals gebeurt in het titelnummer, met de bekende melodieus pompende bas van Saether, het zinderende snarenwerk van Ryan en de strak stuwende Järmyr. Het is een dikke, potige sound die verlucht wordt met poppy zanglijnen en weelderige harmonieën à volonté. Motorpsycho is een van de weinige bands die je tegelijkertijd de loden heaviness van Black Sabbath én de engelachtige fragiliteit van Crosby, Stills, Nash & Young kan laten voelen.

“Bartok Of The Universe” pakt uit met zware riff die tegen de stonerrock aanleunt, terwijl golven doorkliefd worden met the hammer of the Gods. Epische, met toetsenlagen aangedikte Vikingmuziek, die plots een heel andere invulling krijgt met “A.S.F.E.”, hun meest minimaal/repetitief denderende song sinds “Überwagner” op It’s A Love Cult. Het is een stuk trance dat de koppen op en af laat schudden en gerust een kwartier had mogen doorgaan. Vanaf dan wordt de poort opengezet voor nog veel meer geluiden, kleuren en stijlen. “Intrepid Explorer” heeft een lange aanloop met sussende zang en sobere arpeggio’s nodig, maar belandt in een pulserende groove (een vage verwant van “Whip That Ghost” op Let Them Eat Cake) om vervolgens uit te monden in een zweverige space jam. Live moet dit een kanon worden waarin Järmyr als motor volledig kan ontploffen. Dat geldt ook voor “In Every Dream Home”, dat ondanks de Roxy Music-referentie meer heeft met Led Zeppelinbombast anno “Kashmir”, met Johannes die een Ian Anderson doet.

De drie rockers op het tweede schijfje doen nog harder hun best om zoveel mogelijk stijlen en invloeden te laten samenvloeien in de bekende Motorpsycho-sound. “A Pacific Sonate” neemt er iets té veel tijd voor, heeft iets van een anekdote waar maar geen einde aan komt, met gepingel tussen jazz en folk, ook al wordt veel gecompenseerd door een stuiterende tweede helft die ze gestaag aan de kook brengen, maar nooit helemaal doen ontploffen. “The Cuckoo” is directer en donkerder (hier komt King Crimson weer even loeren), duikt misschien ook iets dieper in hun eigen discografie, met een meer wringende aanpak en zanglijnen met grote, excentrieke intervallen. Afsluiter “Ship Of Fools” is ten slotte goed voor een klein kwartier rondsjezen op een vliegend tapijt: twinkelende toetsen, weldadige popharmonieën, uitgelaten melodieën, breed uitwaaierende gitaren, psychedelische effecten, drukke fills; het zit er allemaal in. En allemaal, dat is veel.

Het is ondanks de iets minder sterke nadruk op complexe structuren en bombastische arrangementen nog altijd een stevige boterham. De twee in Rancho De La Luna opgenomen songs, “Stardust” en “The Maypole”, zorgen voor afwisseling, maar zijn met hun lieflijke kampvuursfeertje niet meteen hoogtepunten. Wat ons betreft vallen die allemaal te rapen op het eerste schijfje, maar dat heeft misschien te maken met de generositeit van de band. Ze zijn op een punt gekomen waarop de drang om zo veel (en zo uitgebreid) te vertellen een deel is gaan uitmaken van hun methode en kunnen rekenen op een publiek dat daarin mee kan én wil gaan. The Tower is een uitstekende plaat van een onvergelijkbare band die met de komst van een nieuwe drummer niet zozeer veranderd is, als een variant heeft toegevoegd aan zijn schijnbaar bodemloze vat van creativiteit. Al moeten we eerlijkheidshalve toegeven dat we eigenlijk snakken naar een knaller die z’n punt maakt op wat minder tijd. Of is dat dan een geval van missing the point?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + 3 =