Blonde Redhead :: Masculin Féminin

Met bijna een kwarteeuw activiteit op de teller, is ook bij Blonde Redhead de tijd voor een terugblik aangebroken. Hoewel het labelparcours (Smells Like, Touch & Go, 4AD en eigen beheer) van het trio al een en ander weggeeft over hun evolutie – of beter: transformatie – heeft deze voluptueuze compilatie van oud werk zeker z’n waarde. Al is het maar om aan te tonen dat het zoeken in het beginstadium een schizofrene collectie songs oplevert, die beter overeind blijft dan heel wat muziek uit die tijd (zijn er ook mensen die geen zin hebben om een baksteen naar de radio te gooien als, pakweg, Skunk Anansie nog eens passeert?).

Weinig bands waren in de periode tussen grofweg 1993 en 1995 zo van hun plaats en tijd als Blonde Redhead. Het verhaal is bekend: kunststudentes Kazu Makino (zang, gitaar) en Maki Takahasi (bas) kwamen de Italiaanse tweeling Simone (drums) en Amedeo Pace (gitaar, zang) tegen op restaurant, voelden een connectie en richtten een band op. Die was kosmopolitisch, arty en zo sterk verwant aan Sonic Youth dat er door sommigen al snel gesproken werd van een fletse kopie. Op de koop toe was het ook nog eens SY-drummer Steve Shelly die de band binnenhaalde bij zijn Smells Like Records-label en tekende voor de rol van producer.

Het leidt op het titelloze debuut tot een plaat die duidelijk geënt is op de Kim Gordon/Thurston Moore-spanning, met Makino soms in de rol van krols krijsende femme fatale en Amedeo die zowel herinnert aan Moore als aan Fugazi’s Guy Picciotto. Grappig, aangezien die laatste zich ook nog over de band zou ontfermen. Het geluid van Blonde Redhead balanceerde behendig op het slappe koord tussen sexy en afstandelijk, catchy en atonaal. Voor de rollende groove van “Sciuri Sciura” en de latere droompop die al aangekondigd wordt met het dichtgepakte “Swing Pool”, krijg je in ruil ook de schurende 90’s rock van “Astro Boy” en “Mama Cita”, die uitmonden in ontregelde gitaarfantasieën.

Het mooist is misschien wel de opener “I Don’t Want U”, die tegelijkertijd de meest toegankelijke én tegendraadse neigingen van de band combineert. Een zwoel, zweverig ritme dat gecontrasteerd wordt met abrupte schreeuwen van Simone en, in de tweede helft, het gekerm van Makino. Het was een spreidstand die de band niet lang zou aanhouden. Takahashi verliet snel de band en de bas zou later ook verdwijnen uit het geluidspalet. Dit betekende de start van een reeks gedaanteverwisselingen, een proces dat het handelsmerk van de band zou worden. Het is best indrukwekkend om te beseffen dat de fragiele Misery Is A Butterfly, de droompop van 23, het elektronisch getinte Penny Sparkle en het ontbeende Barragán het product zijn van dezelfde band als Blonde Redhead en La Mia Vita Violenta, die allebei verschenen in 1995.

Het tweede album is natuurlijk sterk verwant aan het debuut, maar laat toch een ander geluid horen. Losser, wat rommeliger, eclectischer en meer lo-fi. De gruizige gitaarpop keert terug in tracks als “Violent Life”, “Down Under” en “Bean”, maar de speelzone die verkend wordt, is hier een stuk breder. Opener “(I Am Taking Out My Eurotrash) I Still Get Rocks Off” lijkt haast de kaart van extatische Japanse pop te willen trekken en is slechts het begin van een reeks excentrieke afwijkingen. Zo is “U.F.O.” gebaseerd op een lome groove die plots een nukkige uitbarsting krijgt, “I Am There While You Choke Me” een eigen variant op claustrofobische garagerock, “10 Feet High” een stuk aanstekelijke riffrock en “Harmony” een soort van sitar-drone die aan de kook gebracht wordt. Om nog te zwijgen van de spookachtige ballade “Jewel”, waarmee wordt afgerond.

La Mia Vita Violenta (dat net als de meeste andere releases heel wat referenties aan Italiaanse cultuur bevat) is het geluid van een band in volle transformatie. Te gretig om genoegen te nemen met een duidelijk afgelijnde identiteit, terwijl homogeniteit later net hun sterkte zou worden. Of toch binnen hetzelfde album. Voor de liefhebbers zal de genereuze greep bonustracks een enorme meerwaarde betekenen, want het aantal songs sprint zomaar even van 18 naar 39 (het gaat dan ook om een 2cd/4lp). Het aanbod is gevarieerd en gaat van singles, outtakes en radioperformances tot live-uitvoeringen. Niet alles is even goed (het is duidelijk waarom “County Song” nooit La Mia Vita Violenta haalde), maar de stilistische weelde wordt zo mogelijk nog uitgebreid door een paar vroege songs die net iets conventioneler klinken (“Amescream”, “Big Song”), een nadrukkelijker gebruik van elektronica (“This Is The Number Of Times I Said I Will But Didn’t”) of kige synths (“Not Too Late”), en een vroege radio-opname van “Pier Paolo”, een song die zou belanden op Fake Can Be Just As Good (1997).

Niet onverwacht schiet het materiaal all over the place, is het bonusmateriaal hier en daar wat ongelijk van kwaliteit en zijn de dik aangezette overeenkomsten met Sonic Youth niet te negeren (vooral dan op het debuut). Tegelijkertijd is er ook bewijs van een urgentie en voorzichtig aangesneden symbiose die het latere werk zou tekenen en naar een niveau hoger zou brengen. Masculin Féminin is het geluid van een band die zichzelf nog aan het uitzoeken is. Hoewel het de consistente kwaliteit ontbeert van een band die intussen een stap verder staat in die evolutie, zorgt het er wel voor dat je getuige bent van een ontwikkeling, een beweging.

Blonde Redhead staat binnenkort drie keer in het land: 6/3 Botanique (Brussel), 8/3 Reflektor (Luik) en 9/3 De Kreun (Kortrijk).

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × vijf =