Blonde Redhead :: Barragán

Communiceren is nooit de sterkste kant geweest van dit vreemde trio. Het was dan ook even schrikken — zij het positief — toen plotsklaps uit het niets Barragán op de promolijst te lezen viel. Na niet minder dan drie voltreffers op een rij, waren de verwachtingen, en vooral de hoop voor deze plaat, ridicuul hoog opgelopen. Maar wat is er uiteindelijk van geworden? De ietwat vreemde hoes met de paardenembryo (paarden zijn een fetisj van groepslid Kazu Makino) pal in het midden liet alvast in het duister tasten, maar wordt misschien wel verklaard door de betekenis van de titel, te weten oud Spaans voor “metgezel”, of zelfs “wederhelft”.

Deur, huis etc.: dit is een vreemd album dat ongetwijfeld voor zeer uiteenlopende reacties zal zorgen en wie een logisch vervolg verwachtte op de weg die de band met zijn drie laatste albums was ingeslagen, is er grotendeels aan voor de moeite. Nochtans is dit evenzeer misschien wel de meest toegankelijke plaat die ze ooit hebben gemaakt. De nerveuze agressiviteit van hun debuutplaten, alsook de walm van oerdepressie die de Misery Is A Butterfly-periode uitwasemt lijken opgeklaard. Ook Blonde Redhead wordt een dagje ouder, en misschien dus ook meer berust?

Eerste teken aan de wand: het album opent met een akoestisch nummertje bestaande uit een zachte gitaarbegeleiding ter ondersteuning van de panfluit (!), geserveerd op een bedje van sfeervolle straatopnames. Nooit gezien in BR-land.

Daarna lijkt er terug vertrouwd terrein op te doemen, met nummers als “Lady M” en eerste single “Dripping”, twee nummers die niet helemaal onaardig zouden gestaan hebben op voorganger Penny Sparkle. Vooral die tweede, met zijn langzaam stijgende zanglijn, die haar hoogtepunt bereikt in het refrein, verdient een bijzondere vermelding. De ondertussen vertrouwde elementen zijn aanwezig: stem luid in de mix, behoorlijk wat galm, een glansrol voor de ietwat hakkerige ritmesectie, en het occasionele bliepje of synthesizer padje om de boel wat in te vullen. En verdomme nog aan toe, we hoorden dat het goed was!

Maar dan beslist het album plots een andere richting in te slaan en krijgen we een aantal nummers voorgeschoteld die meer naar de wat kalere klank van pakweg Melody of Certain Damaged Lemons lijkt terug te grijpen. Elektronica wordt haast volledig overboord gegooid en ook de dosis galm wordt stevig teruggeschroefd. Kortom, de sfeer is totaal omgeslagen.

Daar stopt het verhaal niet, want na het quasi negen minuten durende overgangsnummer “Mind To Be Had” wordt er wederom op een andere versnelling overgeschakeld, en begint de groep wat meer te experimenteren, te beginnen met “Defeatist Anthem (Harry And I)”. Het nummer kondigt zich aan als het hoogtepunt van de plaat met een melancholische Makino die zachtjes zingt over een al even melancholische begeleiding, om na een dikke twee en een halve minuut ineens over te stappen op het geneurie van Amadeo Pace en zijn zachte getokkel op een akoestische gitaar, gestuurd door een overdosis tremolo, om nóg een minuut later ook daar weer de brui aan te geven en voor de rest van het nummer over te gaan op wat een instrumentale schets lijkt van wederom een volstrekt ander nummer. Ongetwijfeld zal daar wel een geniaal concept achter gezeten hebben, maar eerlijk is eerlijk, ons ontgaat het toch een beetje.

Het album lijkt als dusdanig meer op een aaneensluiting van drie, vier eilandjes en op welk u het liefst vertoeft zal grotendeels afhangen van met welk been u ‘s ochtends uit bed bent gestapt. De ene zal hier geen graten in zien, de andere zal steevast hunkeren naar de uitmuntende cohesie die van vorige BR-albums zulks een uitzonderlijke trip wist te maken. Los daarvan blijft er helaas een gevoel hangen dat perfect door Makino zelf wordt verwoord in die ene outtake die de finale edit nog heeft gehaald: “maybe I should work on it a little bit more?” De groep lijkt zelf meer overtuigd van het ene nummer dan van het andere. Ongetwijfeld is dit deels het lofwaardige gevolg van het feit dat de groep zichzelf verplicht om nieuwe dingen te proberen, maar helaas blijf je daardoor als luisteraar ook wel doelloos zoeken naar het geheel dat er in feite niet is.

Hoe het ook zij, de sfeer is over het algemeen minder donker dan we van de groep gewend zijn, en net zoals het pervers zou zijn om van Robert Smith te verwachten dat hij zich terug in de drugs, alcohol, en een zware depressie stort om Disintegration II te maken, kan dit misschien ook eens geen kwaad. De aandachtige luisteraar kan zelfs Makino’s hondje horen blaffen op een nummer, en ook het meervoudige gebruik van straat- en sfeeropnames maakt de ervaring over het geheel iets minder zweverig dan anders. Bovendien lijkt het nu echt wel volstrekt raden naar wat een mogelijke volgende plaat zou brengen, wat van slechts bijzonder weinig groepen met negen volspelers op hun palmares kan gezegd worden. Wat dat betreft, chapeau.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 + 12 =