Neil Young :: Peace Trail

Er zijn weinig artiesten die we zo hoog hebben zitten als Neil Young. Toch is het de laatste jaren steeds weer met een bang hart afwachten wanneer hij nog maar eens met een nieuw studio album op de proppen komt.

De discografie die Neil Young in zijn “gouden” decennium van 1969 tot 1979 bijeen pende, kent — en dat zeggen we in alle subjectiviteit — zijn gelijke niet in de jaren zeventig. Ook ten tijde van de — commerciële — opkomst van de alternatieve gitaarrock van 1989 tot 1994 schreef hij een reeks prachtalbums bij elkaar. Niet toevallig kreeg hij toen het predicaat “peetvader van de grunge” opgespeld. Maar buiten die twee periodes was de kwaliteit van ‘s mans albums altijd al wat men in het Engels een “crapshoot” noemt. Een wisselvallig allegaartje: soms uitstekend (Psychedelic Pill, Old Ways, Prairie Wind), soms brol (Are You Passionate, The Monsanto Years, Landing On Water), soms gewoon degelijk. Hoe verder de jaren vorderen, de parels blijken jammer genoeg steeds zeldzamer te worden in het oeuvre van de Canadees. Enige ongerustheid viel ons dan ook ten deel toen we zijn nieuwste worp Peace Trail op de deurmat aantroffen.

Nadat Young de voorbije jaren de hort op ging met Promise Of The Real, deed hij voor dit album enkel een beroep op bassist Paul Bushnell en drummer Jim Keltner. Het resultaat is een grotendeels akoestisch album dat in een vloek en een zucht — vier dagen en vooral eerste en tweede takes — werd opgenomen, en dat thematisch nauw aansluit bij de milieuproblematiek die ook op het drammerige The Monsanto Years aangehaald werd. Nu was Neil Young altijd al een pleitbezorger ten faveure van Moeder Natuur, maar sinds hij een nieuwe liefde leerde kennen (actrice Darryl Hannah) lijkt het hek helemaal van de dam. Concerten worden opgehangen aan een milieuboodschap, de merchandising wordt helemaal op een ecologische leest gestoeld. Allemaal goed en wel, maar het grote probleem is dat de nieuwe nummers die hij schrijft om die boodschap kracht bij te zetten in het beste geval gewoon middelmatig zijn.

En dat blijkt jammer genoeg weer het geval te zijn op Peace Trail. De nummers zijn uitermate doordeweeks, de teksten zijn bij momenten tenenkrullend. Of wat te denken van een tekstfragment als “My life has been so lucky, the package has arrived / I got my new robot from amazon.com”? Af en toe gaat hij aan de slag met stemvervormers en computerstemmen. Waar dat op Trans nog een functie had, is het hier afwisselend irritant en lachwekkend. Een triest dieptepunt is slotnummer “My New Robot”, waarin een computerstem instructies geeft hoe een paswoord in te geven (echt waar, wij verzinnen dit niet).

Het grootste probleem blijft uiteraard dat de songs zelf gewoon saai en overbodig zijn. Het zijn ideeën die hij in de jaren zeventig ongetwijfeld meteen naar de prullenmand verbannen had. Neem bijvoorbeeld een nummer als “Can’t Stop Working”: zelfs na herhaalde luisterbeurten weet je van zodra het nummer afgelopen is al niet meer hoe de melodie precies ging. En zo gaat het met nog meer nummers. “Texas Rangers” is met zijn staccato zang ronduit irritant. De i>spoken word in “John Oaks” is vooral indrukwekkend als opeenstapeling van clichés.

Toch is het niet allemaal kommer en kwel. Een paar nummers zijn nog best te pruimen. Niet dat het grootse Young-nummers zijn, maar ze zijn op zijn minst “degelijk” te noemen:, soms moet een mens snel content zijn. “Indian Givers” handelt expliciet over de protesten in Standing Rock, waar de Sioux samen met sympathisanten opkomen voor proper water en tegen de Dakota Access Pipeline. Manifestanten die hij al een hart onder de riem stak toen hij er op zijn zeventigste verjaardag een kort optreden gaf. Een nieuw “Ohio” is het niet, maar met zijn pulserend drumritme heeft het toch een zekere urgentie. Eenzelfde thema wordt aangekaart in “Show Me”, een intimistisch akoestisch nummer dat dankzij een speels ritme toch op goedkeurend geknik van onzentwege kan rekenen. Kan er ook nog net mee door: “Terrorist Suicide Hang Gliders”, een nummer dat de geest van Prairie Wind uitademt en de angst voor het vreemde aankaart door in de huid van de Trump-kiezer te kruipen: “I think I know who to blame / All those people with funny names / Moving into our neighborhood / How can I tell if they’re bad or good?”.

Het is natuurlijk de charme van de artiest Neil Young om lak te hebben aan wat anderen of zijn publiek van hem verwachten en gewoon koppig zijn ding te blijven doen. De ene keer levert dat geweldige resultaten op, de andere keer — zoals hier — niet. En dan moet je de bluts — in de vorm van een minder album — met de buil nemen. “Volgende keer beter”, schrijven we dan maar om onszelf moed in te spreken.

Over zijn rol als milieupredikant? In de jaren zeventig ging Moeder Natuur op de vlucht (“After The Gold Rush”), nu dreigt vooral de luisteraar dat te doen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

19 − 1 =