Paul Weller :: Saturns Pattern

Goed tien jaar geleden lag niemand nog echt wakker van een nieuwe Weller. De Modfather had net een reeks brave, onderling verwisselbare en bij momenten zelfs ongeïnspireerde platen afgeleverd, en gleed steeds meer af richting duffe dadrock. Vandaag is dat weer helemaal anders. En terecht: Saturns Pattern, zijn twaalfde album onder eigen naam, is zonder twijfel een van zijn sterkste (solo)platen geworden.

De ‘renaissance’ kwam er in 2008. Aangevuurd door een nieuwe, jonge band (alleen gitarist Steve Cradock bleef aan boord) en met een nieuw lief aan de arm, bracht Weller kort na zijn vijftigste verjaardag het eenentwintig tracks tellende 22 Dreams uit, een verrassend gevarieerde en geïnspireerde cd. Sindsdien is het alleen maar beter geworden. Na de split van The Jam klonk hij nooit vitaler dan op Wake Up The Nation uit 2010, en experimenteerde hij nooit meer met klanken als op Sonik Kicks.

Wellers muziek bruiste weer, soms zelfs een beetje té. Vooral op 22 Dreams en op Sonik Kicks leek het erop dat geen enkel idee verloren mocht gaan. De songs op zich leden daar niet onder, maar beide albums sprongen te veel verschillende kanten op en verloren daardoor aan cohesie. Wat dat betreft doet Saturns Pattern beter dan haar voorgangers: het songmateriaal blijft even sterk, maar de negen tracks vormen nu wel een geheel. De cd vormt qua werkwijze een synthese van de vorige drie, maar leunt muzikaal weer meer aan bij zijn titelloze solodebuut en bij klassiekers als Wild Wood en Stanley Road.

Het is nooit Wellers betrachting geweest het ABC van de rock te herschrijven. Vier decennia lang al put hij uit ruim een halve eeuw muziekgeschiedenis, en smeedt hij al die invloeden samen tot iets dat klinkt als vintage Weller. Hij blijft trouw aan zijn muzikale roots – Beatle-esque pop, (mod)rock, jazz(pop), soul en psychedelica – maar verstaat als geen ander de kunst die tijdloze muziekstijlen te vertalen naar een hedendaagse sound. Dat is op Saturns Pattern niet anders. Daarom werkte hij voor deze plaat niet alleen samen met ouwe getrouwen zoals Steve Brookes, gitarist in de oerbezetting van het piepjonge The Jam, maar ook met jonge talenten als Josh McClorey (The Strypes) en muzikanten uit – voor Weller toch –minder voor de hand liggende genres (Brian Dougans en Gaz Cobain van elektronica-acts Amorphous Androgynous en The Future Sound Of London).

Na de eerste luisterbeurt vonden we deze plaat maar niks. Een goed teken, want het overkwam ons ook bij 22 Dreams, Wake Up The Nation en Sonik Kicks. Er gebeurt immers zoveel op ’s mans recentste platen, dat er een paar beluisteringen nodig zijn om door de bomen eindelijk het bos te kunnen zien. Wat vooral opvalt, is dat deze keer ook duidelijk te horen is dat Weller tegenwoordig goed in zijn vel zit: niet alleen in de songs zelf komt dat tot uiting, ook de manier waarop ze werden gearrangeerd verraadt dat hij – en producer/co-auteur Jan Stan Kybert – er echt zin in hadden en veel plezier beleefden aan het studiowerk.

Negen songs staan er op deze plaat, maar dat is enigszins misleidend. Weller trekt zich steeds minder aan van klassieke songstructuren: ook nu weer verandert hij in één song geregeld van koers, zodat het er uiteindelijk meer dan negen lijken. Toch komen al die muzikale wendingen nergens geforceerd of te ver gezocht over. Hij weet waar hij naartoe wil, en als ‘jonge vader’ met een tweeling van drie jaar weet hij ook hoe hij weer veilig moet thuis geraken.

Een paar keer zet hij de luisteraar ook op het verkeerde been: zo opent de plaat met de bedrieglijk eendimensionaal klinkende bluesy riffrock van “White Sky”. Wie denkt dat daarmee de toon is gezet, vergist zich. Nummer twee, de titeltrack, is namelijk Weller by numbers: met soul geïnjecteerde pop waar hij al enkele decennia een patent op heeft, maar wél een oorwurm van jewelste. In “Going My Way” speelt de mellow Weller van vijftien jaar geleden haasje-over met The Beatles. Daarna volgt met Long Time, een geslaagde kruising van Stooges en Velvet Underground – niet echt essentieel als albumtrack, maar eerder een song die moet dienen om een zaal onder stoom te krijgen tijdens optredens.

Na track vier wordt het allemaal nóg beter, op alle vlakken. De vijf songs die volgen behoren onmiskenbaar tot het beste wat Weller ooit – zeker solo – heeft gecomponeerd. Zo wordt in het relaxt voortkabbelende “Pick It Up” het funky geluid van zijn solodebuut uit ’92 verrijkt met een scheut psychedelica. Het warme, sfeervolle “I’m Where I Should Be” is dan weer een voorbeeld van een liedje dat is ontstaan door het aan elkaar knopen van losse songflarden. Het resultaat is meesterlijk. Ook in “Phoenix” wordt teruggegrepen naar oude recepten, niet om op veilig te spelen, maar om de formule nog wat te verfijnen en naar een hoger niveau te tillen.

Afsluiter “The City Streets” is een fraaie, uitgesponnen ode aan thuisstad Londen, maar hét hoogtepunt wat ons betreft komt daar net vóór. “In The Car…” heeft een bluesy intro en boogiet ook daarna nog een eindje door, maar gaandeweg slaat de toon om en krijgt de song een heel erg mooie uitloper mee, met stemmige effectjes en prachtige backing vocals die doen denken aan Fleet Foxes. Van Mississippi naar Californië in 4’44”, een nieuw record.

Objectief gezien is er weinig vernieuwends te horen op Saturns Pattern. In het geval van Weller is dat ook geen ramp. Hij slaagt er weer maar eens in iets tijdloos en herkenbaars te doen klínken als iets dat nieuw en fris is. Wat dat betreft horen we op deze plaat een artiest op het toppunt van zijn kunnen. Conclusie: “Saturns Pattern is een héél knappe plaat. Luister en oordeel zelf!”

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

15 − twaalf =