To Kill A King :: To Kill A King

To Kill A King, je moet al aardig je best doen om een groepsnaam te verzinnen die even episch klinkt. In dat opzicht past de naam perfect bij het geluid van het Londens collectief: groots, meeslepend en op smaak gebracht met de beste ingrediënten van de overzeese indiescene.

Het is moeilijk te bevatten dat het To Kill A King niet lukt om internationaal potten te breken. Het jonge vijftal uit de Britse hoofdstad heeft alles in huis om moeiteloos grote festivals plat te spelen, en toch moeten ze in het buitenland haast om radiotijd smeken. Nuchter bekeken kun je perfect aanhalen dat de Britten wat op het verkeerde moment de oversteek naar het vasteland proberen te maken. In de nasleep van de zegetocht van Mumford & Sons, Bastille of –in iets mindere mate- Of Monsters And Men, zie je To Kill A King al snel over het hoofd. De band grossiert immers in dwangmatig opgebouwde nummers die laag na laag pieken in een meezingbaar slot, zonder al te origineel uit de hoek te komen. Nummers zoals “Love Is Not Control” dragen bij tot een ogenblikkelijk gevoel van zomerse contentement, maar tussen de regels door voel je hoe de Britten uit het beste werk van een handvol bekende en minder bekende concullega’s putten.

Dat euvel hoeft de pret niet te drukken, maar hou je daarnaast nog eens rekening met het feit dat de stem van leadzanger Ralph Pelleymounter haast inwisselbaar is met het geluid dat Imagine Dragon Dan Reynolds produceert, dan kun je niet anders dan To Kill A King jammerlijk afschilderen als een project dat net iets te vaak leentjebuur speelt. Gelukkig staat een nijpend tekort aan originaliteit niet onmiddellijk gelijk aan een zwakke plaat: To Kill A King is een gebald geheel waar je als label de singles maar hoeft uit te kiezen. “Oh My Love” heeft zo het potentieel om uit te groeien tot die ene song waar stadionacts de avond mee afsluiten. Het nummer grijpt je vanaf de eerste strofe bij de keel en laat je pas gaan wanneer de blazerssectie haar laatste noten lost. Pelleymounters diepe stem draagt bij tot het bijna onbenoembare en manische gevoel van droefheid dat tot en met de laatste ademstoot wordt uitgedragen. “Friends” gaat op hetzelfde elan verder, al is het deze keer eerder het samenspel tussen bas en drum dat voor een meer dan herhaalbaar gevoel van onbehagen zorgt. In het refrein laat Pellymounter de teugels wat vieren. De precisie die je doorheen het album voelt, verdwijnt zo even maar bij het inzetten van de tweede strofe merk je opnieuw hoe perfect To Kill A King binnen de lijntjes van hun geleende concept kleurt.

“School Yard Rumours” en “Good Times – A Rake’s Progress” omschrijf je dan weer best als pure indiepop: hapklare brokje, strategisch in het midden van het album geplaatst om even te bekomen van het muzikale gevoel dat de muren op je afkomen. Het tweede nummer maakt handig gebruik van de actieve dynamiek die je krijgt door de backing vocals te laten inspelen op de zanglijnen van de frontman. Het speelse aspect van het nummer staat wat haaks op het eerste deel van het album, maar ook die veelzijdigheid vind je makkelijk terug bij de bands die model stonden voor het geheel dat To Kill A King presenteert. Trouwens, onze kop eraf als dat niet het nummer is dat Imagine Dragons een advocaat onder de arm doet nemen vanwege plagiaat. Hoewel het album naar het einde toe wat vaart minder, komt een eerste échte rustpunt er pas in de slotminuten. “Musicians Like Gamblers Like Drunks Like Me” wordt volledig gedragen door de interne rust die Pelleymounter nu lijkt uit te stralen. Het zwaardere timbre van de zanger wordt wat verlicht door het repetitieve akkoordenpatroon van de akoestische gitaar en dat zonder die grootsheid uit het eerste deel van het album te verliezen.

To Kill A King laat zich dan ook best beluisteren als een plaat met twee gezichten. Krijg je links te maken met stereotiepe structuren en tried and tested nummers die ontsnapt lijken uit het verzamelde werk van grotere namen, dan wordt er rechts een extraatje toegevoegd dat het geheel toch duidelijk kenmerkt. Dat lukt zeker niet keer op keer, maar een nummer zoals “Grace At A Party” geeft aan dat die combinatie toch lijkt te werken. En toch, kwalitatief gezien hadden de Britten beter gescoord met een nieuwe EP. Maar kijk, dat was bij Imagine Dragons ook zo.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − elf =