Brio :: Acid Cock

Het Italiaanse improvisatielabel Long Song Records legt de focus vooral op lokale vertegenwoordigers, met hier en daar een paar high profile gasten uit de VS (Marc Ribot, Keith Tippett, Ben Goldberg, Peter Evans,…). De muziek geraakt daardoor moeilijk tot in onze contreien en dat is jammer, zoals ook blijkt uit deze sterke release van het Kroatische duo Brio.

Brio werd in 1999 in Zagreb opgericht door de broers Gordan (gitaar) en Neven Krajačić (drums, percussie, zang) en bleef z’n eerste decennium een strikt akoestische band. Eerdere albums At The Playground en What We Got Ourselves Here Is A Problem In Communication, beide opgenomen in 2005, verkenden de ontoegankelijke wereld van de vrije improvisatie, met vergelijkingen met Derek Bailey & co. tot gevolg. Ergens daarna schakelde het duo over op een elektrische aanpak, waardoor ze nu een stijl gesmeed hebben die freejazz en noiserock probeert te verenigen. Dat dat behoorlijk goed gelukt is, zorgt er ook voor dat ze al konden opdraven als voorprogramma van The Ex, Peter Brötzmann, Mats Gustafsson en Zu. Al zegt iets ons dat ze in Kroatië niet zo heel veel concurrentie ondervinden.

Nochtans moet je van deze zevendelige suite nu ook geen heftig brallende kopstoot verwachten. Op het redelijk vunzig getitelde, maar indrukwekkende “It Must Be Painful When It Slides In” na, is dit helemaal geen extreme muziek. Integendeel, er wordt nadrukkelijk geflirt met zeer recht-voor-de-raapse blues en rock-‘n-roll, wat van Acid Cock best een toegankelijke plaat maakt, ook al wordt er volop gespeeld met laagjes, field recordings en spoken word-passages. Vanaf “JFK’s last Speech” krijg je al te maken met dat gebruik van willekeurige achtergrondklanken, een indringend ritme en combinatie van elektrische en akoestische gitaren. Het verhaal en de muziek laten eigenlijk verbasterde blues horen, het effect is ongemakkelijk.

“It Must Be Painful When It Slides In” jaagt het intensiteitspeil meteen de hoogte in, met jankende en huilende gitaren op een onophoudelijk ratelende en rammelende ondergrond van drums. De muziek is vrij, maar rechtlijnig en bezwerend, geladen met knetterende elektriciteit, een gespannen zenuw die de malende percussiemolen op gang houdt. Het heeft iets van vrij geïmproviseerde gekte, maar dan met een psychedelische inslag. Neurotische stadsmuziek, zoiets. En het getuigt van lef om zo’n klepper zo vroeg vrij te geven, want weinig platen zouden ervan bekomen. Dat geldt ook voor Acid Cock.

Wat je daarna te horen krijgt is vooral erg anders, want “You Will Find Me Under The Rainbow, Pissing With A Hard On”, extra opgesmukt met o.a. Hammondorgel, is een primitieve en repetitieve bluesgroove, terwijl de titeltrack iets vergelijkbaars doet met een uitgebeende roots/garageriff, waardoor het gesuggereerde venijn van de titel niet helemaal ingelost wordt. Daarna is het vooral de drummende broer die van zich kan laten horen, met zachtjes rollende patronen in het jazzy “Descension” en exotische polyritmes in “Sing This To Me When I’m Lonely”. Gooi er wat Zuid-Amerikaanse instrumenten op en je kan er zo mee naar Rio Carnaval. Afsluiter “Yellow” verkent opnieuw de wereld van onheil, effecten en densiteit (de zone tussen de twee openers) en mondt uiteindelijk uit in een dichtgeprakte en claustrofobische geluidsmuur.

Het gemene geweld dat Brio op tafel gooit met de hoes, titel en een paar songtitels, wordt niet altijd ingelost, maar het duo is er wel in geslaagd om zijn sound open te breken op een manier die avontuurlijker is, maar tegelijkertijd ook een breder publiek kan aanspreken. Het levert minstens één geweldig stuk muziek op, maar ook de rest doet hopen dat hun productiviteit hierna een beetje de hoogte in gaat.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen − 9 =