Bob Mould :: Beauty & Ruin

Wat moet je doen om onder het gewicht van je eigen verleden uit te raken? Als je bij Hüsker Dü en Sugar gespeeld hebt, lijkt de strijd bij voorbaat verloren, maar Bob Mould geeft niet op. En maar goed ook. Beauty & Ruin laat een vijftigplusser horen die de gedrevenheid van een jonge hond heeft.

Gelukkig, kan daar bijna een toegevoegd worden. Want hoe sterk voorganger Silver Age ook klonk, het is niet dat die plaat nog vaak uit de kast gehaald wordt. Van deze Beauty & Ruin kan evenmin verwacht worden dat het een klassieker wordt die later horden andere artiesten beïnvloed zal hebben. Toch zou deze nieuweling in het oeuvre van Mould best wel eens een cruciale plaats kunnen innemen.

Beauty & Ruin is immers een van de meest persoonlijke werkstukken die Mould totnogtoe afleverde en dat laat zich voelen. Het overlijden van zijn vader, het voortsnellen van het eigen leven, de worstelingen die bij de middelbare leeftijd komen kijken: het vindt zijn weg naar een dozijn songs en doet dat met een gedrevenheid die laat vermoeden dat Mould niet het type is om bezadigd te raken. Hij mag dan de ‘Grote Woede’ achter zich gelaten hebben, het heilige vuur flakkert nog in alle hevigheid.

De loodzware opener “Low Season” laat vermoeden dat dit geen romantische picknick zal worden en wanneer vervolgens “Little Glass Pill” weerklinkt, zit het spel op de wagen: Mould moet een ei kwijt en weet zich met Jon Wurster en Jason Narducy in vertrouwd én degelijk gezelschap om er loeihard tegenaan te gaan. De song geurt, net als “Kid With Crooked Face” dat doet, naar het beste dat Moulds generatie in de jaren tachtig voortgebracht heeft.

Dat verleden wordt gekoppeld aan de doo-wop waarmee Mould als jongeling opgroeide in het verrassend catchy “Nemeses Are Laughing”. Op het einde van de plaat gaat Mould nog een stap verder en geeft hij in het akoestische “Let the Beauty Be” een berustend schouderklopje. Wat mag, want op dat ogenblik hebben “Fire in the City” en “The War” hun impactvolle doortocht reeds gemaakt. Vooral dat laatste nummer staat er. Dit is vintage Mould, iets dat de man zelf bevestigt, maar dat geeft niet: samen met de volumeknop gaat de adrenalinepomp naar rechts en wordt een heftige kopstoot uitgedeeld.

Niet dat heel Beauty & Ruin een grote brok donkerte is. Mould had dan wel een flinke lading ellende van zich af te schrijven, hij is zo slim geweest die in een muzikale verpakking te gieten die een en ander zeer verteerbaar maakt. Hetzij in knoerten van heftige songs, zoals voornoemde, maar soms net zo goed door relativerend uit de hoek te komen, iets waarvan “Hey Mr. Grey” een aanstekelijk voorbeeld is. En lijkt die gitaarriedel aan het begin van “Forgiveness” niet even wel heel erg op het begin van “Sultans of Swing”? Prima song, in ieder geval, net zoals “Fix It”, dat het concept go out with a bang vakkundig illustreert.

Hoewel Beauty & Ruin zijn oorsprong vindt in allesbehalve benijdenswaardige omstandigheden, is het een plaat geworden waar Bob Mould trots op mag zijn. Na drie en een half decennium in het vak met een werkstuk afkomen dat wekenlang zeer regelmatig opgelegd wordt, het is weinigen gegeven en toont aan dat het waardig ouder worden voor een nieuwe generatie muzikanten -de alternativo’s van de jaren tachtig, om ze zo maar eens te noemen- tot de mogelijkheden behoort. Een hele geruststelling.

Bob Mould onderneemt in het najaar een clubtour die hem ook naar ons land zal brengen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 + 16 =