Het langspeelfilmdebuut van Sven Bresser, alsook de Nederlandse inzending voor Beste Internationale Speelfilm bij de Oscars van 2026, presenteert het leven van rietsnijder Johan, vertolkt door Gerrit Knobbe, nadat hij een gruwelijke ontdekking op zijn veld doet.
Het knisperen van het brandende snijafval, een sikkel die hakt in het riet en het kraken van de bomen zijn de geluiden die de openingsscène van Rietland begeleiden. Ze plaatsen de kijker meteen in het ritme van het boerenleven. De camera blijft op een beleefde afstand van Johan die een doodgewone werkdag op zijn veld beleeft. De nadrukkelijke aanwezigheid van het diëgetische geluid en de meditatieve aandacht voor de handelingen van de rietsnijder roepen associaties op met de stijl van Kelly Reichardt. De keuze voor het 16 mm formaat evoceert eveneens de typische kenmerken van haar films.Het Overijsselse landschap krijgt een tedere zachtheid dankzij het pastelblauw van de lucht en het goudgele riet. De sereniteit van dit tafereel wordt de volgende dag doorbroken, wanneer Johan bij het ochtendgloren het levenloze, halfnaakte lichaam van een meisje vindt.
Die ontdekking gebeurt op een anti-dramatische wijze, die ook de rest van de film typeert. Personages spreken over tamelijk shockerende zaken, zoals het doden van een zieke koe, en het vinden van een lijk, in gedistantieerde, gelaten statements, zoals “Dat is niet zo mooi.” Het geweld dat de gemeenschap is binnengesijpeld slaagt er niet volledig in om het stoïcijnse evenwicht te verstoren. Toch heerst er meermaals een ongemakkelijke stilte, waarmee er wordt geïnsinueerd dat er onder het oppervlak vanalles suddert. De geslotenheid van veel mensen maakt hen ook inherent onkenbaar, wat impliciet een gevaar lijkt in te houden. Zoals op het moment dat een jong meisje op het podium staat te zingen en de camera rust op de gezichten van de mannen in de zaal.
Die fundamentele onkenbaarheid schuilt ook in protagonist Johan. Zijn zwijgzame natuur draagt ertoe bij dat zijn ervaring van bepaalde gebeurtenissen aan de interpretatie wordt overgelaten. Hierdoor is het niet altijd duidelijk of hij wel een betrouwbare verteller is. Doordat de camera vaak blijft stilstaan op alledaagse beelden, zoals Johan die in de auto zit, wordt er een zekere spanning gecreëerd door de afwezigheid van actie. Het gebrek aan dialoog verhoogt de intensiteit van zulke momenten. De atmosfeer die door deze mix van elementen ontstaat, blijft nazinderen.
Een belangrijk thema is de grilligheid van de natuur; onweer, wolken en een niet-aflatende wind weven zich doorheen de film. Johan is meermaals een nietig puntje in een uitgestrekt landschap. Ook het thema van de schoolvoorstelling sluit hierbij aan; “Het verdronken dorp” vertelt het verhaal van een dorp dat volledig overstroomt. De weidsheid van de omgeving oogt rustgevend, maar de isolatie biedt ook een ideale crime scene voor de moordenaar van het meisje. De mens is hier niet slechts een speelbal van de natuur maar draagt haar grilligheid ook in zich.
Het rietland geeft dit gevaar het beste weer. Onder het zachte goudgeel lijkt een dreiging schuil te gaan, voornamelijk ’s nachts doet een scherpe wind het riet fluisteren. Het rietland vormt niet enkel de setting voor de moord, maar lijkt zelf een duisternis te bevatten die ook in de mensen is geslopen. Johan vertelt aan Dana, zijn kleindochter, een spookverhaal waarin iemand op het rietland door een monster de sloot in wordt getrokken.
De film werpt vele vragen op: over schuld, geweld tegen vrouwen en het effect van eenzaamheid in een geïsoleerde gemeenschap. Jammer genoeg worden deze thema’s onvoldoende uitgediept. Verder kan de spanning die gecreëerd wordt, de verwachtingen niet volledig inlossen en blijft de ontlading uit.



