Het gebaar met de sologitaar (1) :: Bill Orcutt & Gary Lucas

Een man met een gitaar. Ooit hét voorbeeld van een maatschappelijke outlaw en een iconisch beeld van de tegencultuur, daarna verworden tot een herinnering aan iets te vriendelijke nonkels met een eindeloze voorraad rijmelarij op basis van drie akkoorden. Anno 2014 heeft de gemiddelde muzikant heel wat meer speelgoed ter beschikking dan een gitaar, maar dat neemt niet weg dat er nog volop artiesten zijn die er hun handelsmerk van maken. Deze week duiken we in het recente werk van twee erg verschillende, maar even herkenbare gitaristen.

Bill Orcutt – A History Of Every One (Editions Mego)

Orcutt is sinds de release van zijn eerste comebackplaat — het glorieus rammelende meesterwerk A New Way To Pay Old Debts (oorspronkelijk op zijn eigen Palilalia verschenen in 2009 en in 2011 heruitgebracht door Editions Mego) — niet meer uit de avant-gardespotlights weg te denken. Na How The Thing Sings (2011) is dit zijn derde solo-elpee. Het grootste verschil is de naar buiten gerichte blik. Blinkten eerdere releases vooral uit in die mismaakte en schijnbaar volledig naar binnen gekeerde gitaarchaos, dan draait dit nieuwe album om covers van andermans werk,andermans onherkenbare werk.

De titel A History Of Every One vervult bovendien een bijzondere rol, aangezien het hier in heel wat gevallen gaat om meer dan zomaar songs. Het zijn statements met ofwel een zogezegd universele lading, of een geladenheid die opmerkelijk was in hun respectieve periode — het zijn stuk voor stuk songs uit de eerste helft van de 20e en hier en daar zelfs uit de 19e eeuw. Een vakbondslied, een hymne, bluessongs, tv-riedels, een work songen twee Disneyklassiekers worden hier door de Orcutt-mangel gehaald, met voorspelbaar ontregelde resultaten. Orcutt klinkt als een savant die uit een coma ontwaakte en z’n dagen slijt met het beluisteren van Bukka White en Derek Bailey.

Het album mist de hardheid van zijn comebackalbum, maar heeft wel diezelfde compacte aanpak. Geen van de twaalf songs halen vier minuten en zijn bescheiden excursies door een wildernis van hout en metaal. Nog steeds kletterend en verkrampend, muzikaal geraaskal vol spinachtig gekrabbel. Sommige stukken lijken aanvankelijk amper van elkaar te onderscheiden en wie een gelijkenis met het origineel wil vinden zal doorgaans van een kale reis terugkomen. “White Christmas” en “Zip A Dee Doo Dah” klinken al net zo dement als zijn versies van work song “Black Betty” en “Massa’s In The Cold, Cold Ground” van Stephen Foster, Amerika’s eerste grote componist.

Hoogtepunten? Moeilijk aan te wijzen, maar Orcutts versie van Lightnin’ Hopkins’ “Bring Me My Shotgun” is zwartgeblakerde oerblues met ontzet gejammer, terwijl “Black Snake Moan” van een intense ingetogenheid getuigt die goedgelovige kinderen nog slapeloze nachten zou kunnen bezorgen. Door de links met de zwarte Amerikaanse en de arbeidersgeschiedenis krijgt de albumtitel een wat ironische bijklank, maar de goede verstaander weet intussen dat een verhaal verteld door Orcutt de kleverige resten van diens visie sowieso niet van zich af kan schudden. Dat maakt dat A History of Every One misschien iets minder opvallend is dan zijn eerdere albums, maar wel even uniek.

Gary Lucas – Cinefantastique (Northern Spy)

Lucas’ debuutalbum, soloplaat Skeleton At The Feast (1991), is misschien onze favoriete sologitaarplaat aller tijden en dus heeft hij bij voorbaat een haast onmogelijke opdracht. Cinefantastique bundelt een hele resem filmcomposities, waarvan er heel wat al een halve carrière meegaan. Lucas staat al jarenlang bekend als een filmfanaat en zorgde op geregelde tijdstippen voor live-ondersteuning van stomme en andere films. Zo was zijn begeleiding van Der Golem te horen op zijn debuut en werd het een van zijn bekendste werken.

Op dit weelderige nieuwe album, goed voor vijf kwartier gitaarmuziek, passeren de namen van heel wat grote regisseurs — Hitchcock (duidelijk door de knipoog naar Saul Bass’ artwork van de hoes), Fellini, Tati, Herzog, Tarr — en legendarische componisten als Bernard Herrmann, Krzysztof Komeda, Nino Rota en George Gershwin. Heel wat van die thema’s zullen bekend in de oren klinken, maar om het allemaal niet té voorspelbaar te maken, wordt afgewisseld met minder bekend materiaal. De Hitchcockmedley “Vertigo”/“Psycho” en “Aguirre” waren ook al te horen op Skeletonen behoren net als toen tot de hoogtepunten.

De variatie op Cinefantastique is alleszins opmerkelijk en laat niet alleen Lucas’ expertise horen op akoestische gitaar, National steel guitaren elektrische gitaar, maar ook zijn uitzonderlijke techniek en controle over effecten. Voor elk brokje zomerse zwier als “Mon Oncle” (je hoort er zo het musetteachtige getripppel van Tati in) en “Sátántangó”, krijg je een stuk dat een ietwat andere koers volgt, of het nu de folkrock is van “J’accuse” met de extra viool (meteen het enige ‘vreemde’ element op dit album) of de sobere elektrische lading van “Bali Ha’i”. Bonus is een complete begeleiding bij René Clairs klassieke kortfilm Entr’ Acte (1924), een demonstratie met een enorme verhalende kracht.

De absolute must is echter het elektrische middenluik, met daarin de twee sinistere Hitchcock-thema’s (de zwijmelende angstbeelden van Vertigo en de staccato mesuithalen van Psycho), de schimmenparade van “Fellini’s Casanova”/“Rosemary’s Baby”, het hoorspel van “Spanish Dracula” en zijn ambientgetinte, ongemakkelijke vertelling bij Herzogs “Aguirre, The Wrath of God”. Deze nummers blijven steeds verbluffend goed. Het nadeel is dat ze omringd worden door composities die daarnaast verbleken, ook al omdat Cinefantastique iets té lang is om van begin tot einde te boeien. Het is een mooie dwarsdoorsnede van Lucas’ fenomenale instrumentbeheersing, dat wel, maar niet zijn beste soloplaat.

In deel 2: Richard Comte, Luís Lopes en Alan Licht.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × een =