Converge :: All We Love We Leave Behind

Jane Doe. Voilà, het is eruit. Al elf jaar kan je geen artikel, interview of recensie van Converge lezen zonder verwijzing naar die legendarische plaat uit 2001. Dus bij deze beloven we plechtig het er niet meer over te hebben. Goed? Bon, die nieuwe plaat, hoe zit het daar nu mee?

Een nieuw Converge-album doet ons hart altijd vervullen van blijdschap, maar maakt ons toch ook steeds een beetje zenuwachtig. Al meer dan een decennium staat de band uit Salem, Massachusetts, op eenzame hoogte aan het hardcore-firmament. Dat is in hoge mate te danken aan bovengenoemd grensverleggend meesterwerk (waar we het niet over gingen hebben), maar dat creëert uiteraard ook behoorlijk wat druk. Bij elke nieuwe plaat wordt de vergelijking gemaakt en is het bang afwachten of Converge het onwezenlijk hoog niveau van toen kan volhouden.

Gelukkig is deze band in bloedvorm: het vorige album, Axe To Fall, was de bevestiging dat het nieuwe legioen hardcoregroepen nog steeds een onbetwiste leider heeft. Converge bewijst dat het genre niet draait om spierballengerol en testosteron, maar om emotie en intensiteit. En die intensiteit is ook weer op de nieuwe plaat All We Love We Leave Behind in overvloed aanwezig. De eerste tien minuten zijn echt on-ge-lo-fe-lijk hard: een ware lawine aan donderende drums, verschroeiende gitaren en huilende vocalen vlàmt uit je boxen. Dit is Converge als allesvernietigende pletwals die je oren aan flarden rijt.

Het is werkelijk onvoorstelbaar wat je te horen krijgt: snoeiharde riffs, gecombineerd met psychopatisch drumwerk en brommende bassen vliegen je om het hoofd, zoals in opener “Aimless Arrow”. Ook de afwisseling tussen ‘gemakkelijke’ rechttoe-rechtaanstukken en meedogenloze chaos grenst aan het ongelofelijke, zoals in “Trespasses”, waar je na een funky breakje een kopstoot van jewelste op je muil krijgt. Ook “Tender Abuse” en “Sparrows Fall” zijn pure, onversneden waanzin. En mocht u nog van mening zijn dat voor het creëren van die hele warboel het niet nodig is om deftig je instrument te beheersen, luister dan maar eens naar de héérlijke fingertapping-riff die Kurt Ballou uit zijn mouw schudt in “Sadness Comes Home”.

En dan is het feest nog maar net begonnen. Want bij Converge kan het ook traag. Nu ja, traag. “A Glacial Pace” is een topzwaar nummer, voortgestuwd door dwingend dubbel basdrumwerk en een jankende gitaar. “Vicious Muse” zet je met zijn The Hives-achtige intro op het verkeerde been, alvorens een knallende mokerslag uit te delen. Maar vooral het donkere, dreigende maar ook glorieuze en bij momenten verstilde “Coral Blue” getuigt van de grote klasse die Converge op dit album etaleert. Andere prijsbeesten zijn nog het furieuze “Shame In The Way” en titelnummer “All We Love We Leave Behind”, dat een magistrale spanningsboog opzet. Slotnummer “Predatory Glow” hoeft enkel maar een mooie, grote strik rond het geheel te knopen.

All We Love We Leave Behind is als met een formule 1-wagen door een haarspeldbochtenparcours razen: aartsgevaarlijk, compleet waanzinnig, maar het geeft wél een onwaarschijnlijke kick. Converge toont op deze plaat geen enkele zwakte, geen enkel compromis. In het interview met enola op Ieperfest zei bassist Nate Newton dat Converge al een paar platen enkel nog maar beïnvloed wordt door zichzelf. All We Love We Leave Behind is hier het onomstotelijke bewijs van. Deze plaat is een absolute triomf, die in vele eindejaarslijstjes zal opduiken als punkplaat van het jaar. Dit album is zo sterk, dat ze met gemak tot het beste werk van Converge behoort. Bijna zo goed als Jane Doe. O, wacht…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeven + 4 =