Arno :: Future Vintage

Met Future Vintage probeert Arno de smetvlek die Brussld maakte van zijn blazoen te vegen. Dat lukt maar matig. Ook op plaat nummer veertien wordt voornamelijk op cruise control gereden. Een gedurfd slotnummer bewijst dat dat niet zo moest zijn.

“Elke dag mompelt Arno tegen me: België is surrealistisch, vrint”, schreef Marc Didden enkele weken terug. Le chanteur de charme zet die bewering graag kracht bij. Op de hoes van Future Vintage — een titel die enkel Arno kon bedenken — dus: een vis op een platendraaier. Geen portret meer; dat hebben we nu wel gehad, en een mens wordt er niet schoner op met de jaren.

Voor het eerst trok Hintjens ook naar Engeland voor de opnames. In Bristol, onder de hoede van Parish, nam hij de songs op die er uit moésten. Het was niet de bedoeling dat er al een nieuwe plaat was, maar bon, hier was ze dan. Opgenomen met partner-in-crime Serge Feys (toetsen), een hired gun op bas en de producer zelf in de rol van gitarist en drummer.

Tot zover de verandering.

Future Vintage is meer van hetzelfde, en dat stoort aanvankelijk. Na –tig platen wil een mens wel eens iets anders dan steeds dezelfde spaghetti bolognese, maar dat is het wat Arno ook met andere keukenhulpjes nu weer serveert: een smakelijke ragù van hoekige funkgitaren, krolse baslijnen, en de meest roestige stem rechts van Tom Waits. Alleen: we hebben het potje al dampender geproefd. Pittiger ook. De kok is oud geworden, zijn smaakpalet wat afgesleten, de liefde er wat uit. Hij roert nog wel in zijn potten, maar de gedachten zijn al half bij het nakende pensioen.

Laat dat verleden los, en je merkt dat bij de zoveelste beluistering Future Vintage toch blijft hangen. Meer dan Brussld in elk geval, zijn vorige plaat waarvan Le Plus Beau ondertussen zelf ook toegeeft dat ze niet helemaal dat was. En dus is “Die Lie” welkom in de grote canon der Arnosongs, met zijn dansende, pulserende bas, quasi-elektronische ritme en een gitaar die op een heel eigen trip lijkt te zijn. Op zijn best is Arno in “We Want More”, een eigenzinnige kijk op het “greed is good”-débâcle dat zelfs een “een-twee-drie-vier, hoedje van papier” meekrijgt, maar vooral een onstuitbaar dansbaar nummer, met dik aangezette baslijnen.

Dat “In Don’t Believe” zijn kindertijd beleefde in de dagen van het prille T.C. Matic hoor je: het heeft meer energie, drive en inventiviteit dan het gros van de songs hier samen. Tegelijk heeft het iets tragisch als ideeën van meer dan dertig jaar geleden nodig zijn om een plaat leven in te blazen. En nog steeds is er geen vervanging gevonden voor gitarist Geoffrey Burton, wat zich ook laat voelen. Onder zijn handen had “If I Was” zeker een stoorzender gekregen die het nummer uit zijn morbide cabaretsfeertje à la Tom Waits had gehaald. Ook “Ca plane pour nous” is te gemakkelijk; het soort meebrul-onzin dat hij al honderd keer beter deed. En voor “Quand les bonbons parlent”? Daar is het woord banaal voor uitgevonden; middelmatige Arno die hij waarschijnlijk in zijn slaap schrijft.

Maar dan is er de verrassende afsluiter “Ostend Dub”. Een stampend nummer waarop het goed gekke dansjes doen is, dat de zanger samen met zijn zoon maakte. Naar eigen zeggen volledig vocaal gemaakt — tot de meeuwen toe — en vervolgens in alle richtingen extreem bewerkt. Het resultaat is te bizar voor woorden, maar het toont een zin voor experiment die de rest van Future Vintage helaas ontbeert. Zonde.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vier =