Intouchables

Eén van de weinige zekerheden die een mens heeft in elk filmjaar, is de arthouse hit. De niet-Engelstalige (en bijgevolg automatisch als arthouse beschouwde) prent die met weinig poeha in de zalen wordt gedropt, maar op de één of andere manier toch een gevoelige snaar raakt bij het grote publiek en maar blijft draaien en draaien en draaien. Dit jaar was het Intouchables. Met uitzondering van Bienvenue Chez les Ch’tis werd Intouchables de meest succesvolle Franse film aller tijden, en internationaal bracht hij een ongeziene 300 miljoen dollar op. Dat er hier en daar kritiek kwam op de manier waarop deze feel good-movie rassenrelaties in beeld brengt, deerde daarbij niet. Dat was een discussie die grotendeels door critici, voor critici gevoerd werd, terwijl het algemene publiek op een ongecompliceerde manier van de film hield voor wat hij was.

François Cluzet speelt Philippe, een steenrijke Parijzenaar die verlamd is van onder de nek. Tijdens een sollicitatieronde voor een nieuwe zorgdrager, duikt Driss (Omar Sy) op, een jonge zwarte man uit de banlieus, die net uit de bak is gekomen en eigenlijk totaal niet geïnteresseerd is in de job; hij is alleen verplicht om te solliciteren om zijn uitkering niet kwijt te raken. Philippe ziet in Driss echter de enige kandidaat die hem niét behandelt als een zielenpoot, en hij neemt de jongen aan.

En daarmee zijn we vertrokken voor een voorspelbare tragikomedie (easy on the tragi, heavy on the komedie), over twee tegenpolen die elkaar toch leren waarderen. Min of meer Driving Miss Daisy op zijn Frans en met een gehandicapte, zeg maar. Regisseur- en scenaristenduo Olivier Nakache en Eric Toledano gaan het meestal niet al te ver zoeken en gaan vaak ongegeneerd voor de makkelijke lach: Driss die de gevoelloosheid van Philippe uittest door kokend water op zijn benen te gieten, terwijl Philippe geïrriteerd toekijkt. Of Driss die Philippe’s shampoo verwart met voetenzalf. Tja. Soms zijn die situaties nog wel geestig, soms zijn ze gewoon flauw en voor de hand liggend. Doorheen dat alles ontwikkelt er zich een dynamiek tussen de personages die in feite doet denken aan die in Pretty Woman: de vreugdeloze zakenman krijgt meer plezier in het leven door zijn kennismaking met iemand van de sloppenwijken. En anderzijds leert de kruimeldief uit de banlieus (net zoals Julia Roberts’ sympathieke hoertje van destijds) de fijnere dingen in het leven kennen: kunst, klassieke muziek en ga zo maar door.

Als je nu vastbesloten bent om (al dan niet onbewust) racisme in de film te zien, dan kan je daar even bij stilstaan en opmerken dat Driss eigenlijk uit de criminaliteit getrokken wordt door een rijke, gecultiveerde blanke. Driss gaat eens mee naar de opera, hij bezoekt dankzij Philippe een exclusieve kunstgalerij en hij wordt er een beter mens door. Anderzijds wordt zijn gedrag – zeker aan het begin van de film – met een welwillende lach ontvangen door Philippe. Driss is zodanig ongevoelig en sociaal gehandicapt, dat hij écht niet beter weet dan kokend water op Philippe’s benen te gieten. Wanneer iemand voor de poort van Philippe’s huis parkeert, sleurt hij de autobestuurder letterlijk uit zijn wagen: “Zie je dit bord? Dat wil zeggen dat je hier niet mag staan, klootzak!” En Philippe kijkt geamuseerd toe.

Is dat nu racisme? Het heeft zeker iets neerbuigend. Driss is haast schattig omdat hij zo clueless is, en wordt ook zo bekeken door de meeste andere personages, als een soort vertederend kind dat wel manieren zal leren als het maar lang genoeg in het gezelschap van de volwassen (blanke) mensen is. Aan het einde van de film is hij, dankzij de invloed van Philippe, volwassener, verantwoordelijker, intelligenter en – laten we het zo maar noemen – blanker geworden. Hij vraagt aan een andere oetlul zelfs vriendelijk om zijn auto te verzetten, zonder geweld te gebruiken. Nee, ik geloof nooit dat de filmmakers een dergelijke boodschap op hun agenda hadden staan, maar je voelt dat paternalisme er toch doorheen schemeren.

Het voornaamste probleem met de film ligt echter ergens anders, en dat is dat er geen enkel prangend conflict is dat het verhaal voortdrijft. Racisme is als expliciet thema nauwelijks aan de orde – de occasionele oncomfortabele blik van een blank bourgeois-dametje niet te na gesproken. Wanneer Driss luidop lacht met de zotte kostuums in een opera, lacht Philippe mee. Wanneer de twee mannen een nachtelijke joyride ondernemen aan ongeveer 180 kilometer per uur, bluffen ze zich een weg uit mogelijke politieproblemen. En zo gaat het door – elk potentieel conflict wordt al opgelost nog het zichzelf goed en wel heeft kunnen voordoen, waardoor Intouchables de interesse voornamelijk moet vasthouden met de inherente sympathie die we voelen voor dit odd couple. En die sympathie is er best wel: de acteurs klikken duidelijk met elkaar, en hun samenspel levert een bromance af die voldoende is om je bijna twee uur geboeid te houden. Maar ondertussen krijg je nooit het gevoel dat er iets op het spel staat. Wat hebben die twee mannen te verliezen, waar is de drive? Intouchables is in essentie een twee uur durende montage van situaties tussen twee tegenpolen, die het best kunnen vinden met elkaar. Heel sympa allemaal, maar er had gerust wat meer vlees aan mogen zitten. Een nevenplot rond de familie van Driss wordt trouwens pijnlijk slecht uitgewerkt – wat komen die mensen eigenlijk in de film zoeken?

De smakeloze aspecten van het verhaal worden keurig uit de weg gegaan. Er wordt een grapje gemaakt over de lavementen die Driss aan Philippe zal moeten geven, maar we krijgen die in de praktijk nooit te zien. De film weigert, zeer bewust, om stil te staan bij de dagelijkse fysieke ongemakken die gehandicapte mensen moeten ondergaan, om zijn focus te kunnen leggen op de humoristische aspecten. En dat is natuurlijk het goed recht van de filmmakers, maar zo krijg je wel een opgepoetste, propere blik op de werkelijkheid.

Intouchables is professioneel gemaakt en goed geacteerd, maar ik kon me niet achter de believers scharen. Daarvoor is de raciale toon van de film te problematisch, zijn de situaties te voor de hand liggend en zijn de regisseurs te bang om de realiteit in hun film toe te laten. Het is een feel good-sprookje, zeker, en wie daar zin in heeft, moet het niet laten. Maar ik voelde me betutteld door de film, en dat kan niet de bedoeling zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × een =