The Call of the Wild

De nieuwste versie van The Call of the Wild, brengt niet de eerste maal dat Hollywood de hand legde op Jack Londons beroemde roman uit 1903 – de eerste stille filmversie dateert al uit 1923 – en wellicht zal het ook niet de laatste maal zijn. De unieke benadering van London – alles werd grotendeels verteld vanuit het standpunt van de hond waar het verhaal om draait – wordt hier andermaal overboord gegooid in een film die vooral draait om de menselijke personages die meer inzicht moeten verwerven uit hun ontmoeting met de viervoeter – iets wat niet echt aanwezig is in het oorspronkelijke literaire werk dat vooral keek naar de moeilijke combinatie tussen ongerepte natuur en beschavende cultuur. Op zich opent een nieuw vertelperspectief ook nieuwe mogelijkheden, de vraag is vooral of het ook goede cinema oplevert en het antwoord daarop is helaas volmondig ‘neen’.

Meteen bij de start van The Call of the Wild is het duidelijk dat dit geen plot meer is die het dier centraal stelt: de hond Buck dient nu voor komische intermezzi en geforceerde emoties. Vooral die laatste zijn belangrijk want ze leggen meteen een groot probleem bloot: dat het bijzonder moeilijk is om met de hulp van fotorealistische CGI, enige vorm van empathie op te wekken. Pixar bewees in 1995 met Toy Story dat het mogelijk was oprechte emoties aan een nieuwe vorm van speciale effecten te koppelen, maar deze Call of the Wild is al de vierde prent in een paar jaar tijd die de tanden stukbijt op realistische fauna die er maar niet in slaagt enige emotie over te brengen. Er was de Netflix-productie Mogwli, waarin de menselijke trekken van de junglebeesten tot waarlijk schrikwekkende resultaten leidden, er was The Lion King dat duidelijk maakte hoeveel meer empathie de traditionele animatie opwekte en er was Dolittle, dat geen andere uitweg zag dan onnozele karikaturen te maken van de pratende beesten. Hoe hard de makers ook hun best doen hier – het werkt allemaal niet en de met de ogen draaiende hond die menselijke emoties veinst bezit geen greintje charme – in zoverre dat de verwoede pogingen om toch maar een beetje emotie te persen uit deze uit digitale pixels opgetrokken miskleun, nog geen beetje cynisch aanvoelen.

Dat verandert niet wanneer de hond ontvoerd wordt en vervolgens een hard leven moet slijten als sledehond, tot hij Harrison Ford leert kennen. Diens rol werd door de trailer handig uitgespeeld, al duikt het personage van Ford pas halverwege op en leent de acteur vooraf enkel zijn stem aan de ‘voice-over’ die bedoeld is om het perspectief van Buck weer te geven, maar ironisch genoeg de menselijke factor nog meer in de verf zet. Voor een film getiteld The Call of the Wild is er dan ook bijzonder weinig ongetemd of wild materiaal te vinden: moeizame experimenten met CGI vervangen wilde en rauwe emotie, futloze actie tegen een achtergrond van echte locaties en nog meer digitale projectie vervangt echt en wild avontuur. Terwijl de roman van Jack London bedoeld was als een ode aan de lokroep van de ongerepte natuur (London bracht zelf lange tijd door in de Yukon vallei) is deze filmversie uit de eenentwintigste eeuw een tandeloze en tamme bedoening. De versie uit 1972 met Charlton Heston liet ook behoorlijk wat te wensen over, maar het kloppende avonturenhart van die film is een verademing in vergelijking met dit nep-product dat lijkt op een ‘game’ die de gesimuleerde emoties moet evoceren van een echte trip in de natuur.

Zowat het enige dat echt opmerkelijk is aan The Call of the Wild, is het feit dat de foeilelijke digitale fotografie van de hand is van de grote Janusz Kaminski. De briljante fotografieleider van onder andere Schindler’s List, Saving Private Ryan en Minority Report, weet zich duidelijk geen behelpen met het in 6.5 Arriraw geschoten materiaal en kiest voor een valse ‘prentkaarten – look’ die helaas maar al te goed past bij de rest van de film.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in