Abraham Lincoln: Vampire Hunter

Cultureel verantwoord als we hier nu eenmaal zijn bij enola – ons televisietoestel speelt enkel Canvas, tussen onze bezoeken aan het Toneelhuis door lezen wij uitsluitend literatuur van schrijvers als Proust of Dostojevski en als we al eens een festival doen, vermijden we de mentaliteitsloze pubers op Dour en Pukkelpop en spenderen wij €4.5 aan een culturele Duvel op Gent Jazz – wagen wij ons enkel in de bioscoop voor geschiedkundig correcte drama’s en diep filosofische auteursfilms. Op redactievergaderingen, die uiteraard plaatsvinden op cultureel verantwoorde locaties, worden die dan onderling bediscussieerd aan de hand van zoveel mogelijk cinefiele namedropping, en cineasten als Luis Buñuel, Sergei Eisenstein en Masaki Kobayashi keren dan ook herhaaldelijk terug in onze conversaties. Wij werden dus behoorlijk wild toen we hoorden van een historische film over de Amerikaanse Burgeroorlog die van een geheel eigen en inzichtrijke filosofische insteek werd voorzien door een nauwkeurige en interessante dissectie van het personage van de Amerikaanse president. En, om onze reputatie alle eer aan te doen, hebben we die film voor u besproken in het licht van stevige brokken filmgeschiedenis – de ene brok al meer wat cultureel verantwoord dan de andere. Speciaal voor u: Abraham Lincoln: Vampire Hunter.

Laten we beginnen bij het begin van het medium film: het magistrale The Birth of a Nation (D.W. Griffith, 1915), en, een kwarteeuw later, het klassieke Gone With the Wind (Victor Fleming, 1939) bewijzen dat een film de geschiedenis niet noodzakelijk op een objectieve of historisch ongelooflijk accurate manier moet weergeven. Over het potje misplaatst Amerikaans patriottisme aan het einde van Abraham Lincoln: Vampire Hunter gaan we dus niet moeilijker doen dan nodig is. Over het uitgangspunt van het wel erg ridicule script dat Seth Grahame-Smith, eveneens auteur van het haast Joyciaans klinkende Pride and Prejudice with Zombies, moeten we wel een woordje kwijt: het is niet omdat in het bijzonder geslaagde Inglourious Basterds (Quentin Tarantino, 2009) het einde van de Tweede Wereldoorlog op een bijzonder campy manier werd herschreven, dat je als auteur/scenarist met alles weg kan komen. Het voorzien van een dubbele identiteit voor Abraham Lincoln – vredezoekend president van de VSA overdag, genadeloze vampierenjager ’s nachts – is zo fout dat het op geen enkele manier juist te praten valt. Het resulteert in een film die aardig zijn best doet om het concept ‘slechte smaak’ te herdefiniëren.

Via Tarantino en vooral via het concept ‘slechte smaak’ komen wij bij het uiterst plezierige From Dusk Till Dawn (Robert Rodriguez, 1995). De afgrijselijke monsters met superkrachten die de vampiers in Rodriguez’ film zijn, golden duidelijk als inspiratiebron voor de creaturen die regisseur Timur Bekmambetov in Vampire Hunter toont, maar belangrijker is de verschillende invulling van ‘slechte smaak’ in de twee films, en tot welk resultaat die invulling uiteindelijk leidt. We zouden durven zeggen dat From Dusk Till Dawn zo geslaagd is omdat Rodriguez weet wat slechte smaak juist betekent, hoe weinig serieus je dat juist moet nemen, en hoever je erin kan gaan. Bekmambetovs slechte smaak vloeit echter voort uit het feit dat de man geen flauw idee heeft wat goede smaak ook maar zou kunnen zijn, zich een dodelijke ernst aanmeet – de grap van de film houdt op bij de titel – en zich van de nodige grenzen niets aantrekt.

Een gebrek aan zelfrelativering en een gebrek aan grenzen: laat dat toevallig ook kenmerken zijn van het stevig suckende Sucker Punch (Zack Snyder, 2011), een film die zichzelf finaal de das omdeed door inspiratie te gaan zoeken in structuren van videogames. Ook Abraham Lincoln: Vampire Hunter gaat qua opbouw stevig te leen bij actiespelletjes: er is de mentor die de gamer zegt wat hij juist moet doen – in Sucker Punch was dat Scott Glenn, hier is het Dominic Cooper – er zijn de verschillende levels, die hier gedaante krijgen in zo’n elfendertig actiescènes, en het eindigt met het ombrengen van de slechterik – de ‘baas’ in gamersjargon – die, zoals de gameregels dat voorschrijven, altijd oneindig veel sterker is dan het talrijke voetvolk dat het hoofdpersonage/de gamer tot dan toe over de kling heeft gejaagd.

Naast games gingen zowel Snyder als Bekmambetov flink wat mosterd halen bij het toch wel overschatte The Matrix (Andy en Larry Wachowski, 1999), een film die inmiddels vooral herinnerd wordt om de zorgvuldig gechoreografeerde en in overdadig veel slow motion gedraaide actiescènes – de bullet dodge is ondertussen klassiek geworden. Naast heel veel actierommel in de eerste jaren na de release van The Matrix, werden ook de films van Snyder en vooral die van Bekmambetov doorspekt met dat soort in slow motion gestileerde en ziekelijk sensationele vechtsequenties. Wanted leed al aan een overdosis, en in Abraham Lincoln: Vampire Hunter bezorgt de Kazak je een stevige indigestie aan dat soort momenten – gaande van zweepslagen over omgehakte bomen tot weggeworpen mustangs, en natuurlijk een hoop in twee gekliefde vampiers. De CGI druipt dan ook in zulke dikke druppels van het scherm dat je er niets filmisch meer doorheen kan zien.

Het is immers die CGI die moet verbergen dat Bekmambetov eigenlijk gewoon voor geen meter kan regisseren. Zelfs uit de scènes die noodzakelijkerwijs tussen de vechtmomenten worden ingelast om het verhaal een beetje verteld te krijgen en de kans geven aan de acteurs om stand-in te spelen voor de stuntmannen, blijkt immers dat de man zo weinig weet van montage, compositie of belichting dat alles wordt gemaskeerd met een vrachtwagenlading computertrucjes. Het verschil met de subtiliteit van pakweg O Brother, Where Art Thou? (Joel Coen, 2000), de eerste film die digitale color grading gebruikte om zijn shots een kleurbad te geven en de droge sfeer van de Mississipistreek op te roepen, is immens – de kleuring en belichting van zowat elk shot in Vampire Hunter komt immers zo uit de computer – en staaft de stelling dat je geen kleine kindjes mag laten spelen met iets wat ze niet begrijpen.

Voor Bekmambetov is dat zo ongeveer alles wat komt kijken bij het maken van een film. Voor de zwakke verstaander, of voor de minder cultureel verantwoorde lezer die werd afgeschrikt door de openingsparagraaf: Timur Bekmembatov heeft een hoop onwaarschijnlijk stinkende rommel uitgescheten, en wij kunnen alleen maar hopen dat die zo snel mogelijk wordt doorgespoeld. De meest onwelriekende aspecten hebben we hierboven aangegeven, en dan zijn er nog een hoop zaken – acteerprestaties, scenario, de doodserieuze hersenloosheid – waarvoor wij de tijd noch de plaats hebben om ze te bespreken. Excuseert u ons nu, dan kunnen wij The Human Condition nog eens bekijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

elf + 12 =