Joe Henry :: Reverie

Ha, daar komt de herfst en daar is Joe Henry weer met een nieuwe plaat, nummer twaalf om precies te zijn. Al na een paar luisterbeurten beseffen we dat het opnieuw moeilijk wordt om termen als ’vakwerk’, ’groeiplaat’ en ’onderschat’ te vermijden, maar moet dat dan?

Over zijn staat van dienst hebben we het in het verleden al uitgebreid gehad. Naast een geliefd producer is Joe Henry een muzikant die keer op keer kwaliteit aflevert. Civilians, Blood From Stars of deze Reverie: het zijn stuk voor stuk platen die zich na een tijdje openen als een langgerijpte whisky die een druppeltje water krijgt. Op deze laatste plaat schurkt hij meer dan tevoren aan tegen het geluid van zijn invloeden. Wij horen vlagen Bob Dylan, Randy Newman en Tom Waits, een rijtje waartussen Henry naderhand ook niet meer misstaat. De architectuur van het songmateriaal klopt en er zitten dan ook een aantal goed gereputeerde aannemers in de studio.

Het moet geweldig zijn voor een artiest als Henry om ver weg van de autosnelweg richting hitlijsten zijn muziek te kunnen maken. Rustig, in de eigen kelderstudio dan nog, kunnen schaven en poetsen aan nieuwe nummers. Je goed in je vel voelen omringd door rasmuzikanten als Jay Bellerose achter de drums, Keefus Ciancia aan de toetsen of David Piltch achter de contrabas; dat helpt natuurlijk ook. Net zoals Marc Ribot even te kunnen bellen om mee te komen opnemen. Dat maakt de dingen er dus ongetwijfeld niet minder aangenaam op, en dat hoor je ook: de muziek klinkt even ongedwongen als zondagmiddag nog in pyama van het bed naar de bank verhuizen, terwijl de koffie al klaarstaat en de zon door de gordijnen priemt.

En heeft Henry geen zin in blazers op Reverie, dan blijven die gewoon aan de kant en wordt de speeltuin voor bas, drum en piano alleen maar groter, zoals in het openingsnummer "Heaven’s Escape". Het hele album is trouwens akoestisch en dat werkt prima. De variatie is talrijk maar steeds subtiel, wat voor een organisch geheel zorgt, in veertien delen opgediend. Dat de plaat een uur duurt is eerder zeldzaam en gedurfd, dat ze ook nog eens geen enkel dood moment heeft, getuigt van klasse. En ja, het is een groeier. Zo, het is gezegd, een euro in het potje van de redactie dan maar. Op Reverie is gewoon altijd iets nieuws te horen, niet alleen muzikaal: de kat aan het einde van "Odetta", de krakende vloer in "Room At Arles", het geroep bij aanvang van "Tomorrow Is October". Het is nooit écht stil en de instrumenten krijgen de tijd om uit te doven voor de schuiver van het mengpaneel toe gaat.

U begrijpt intussen dat alle nummers aanhalen onbegonnen werk is. Toch enkele vermeldingen waarvan het misdadig zou zijn om ze te verzwijgen. Het eerder vernoemde "Odetta" bijvoorbeeld, met een door gospel gekruid refrein, laat het allemaal zo makkelijk klinken terwijl het samenspel en de balancering dit nummer doen uitblinken. Geen slag of noot is te veel. Of wat te denken van "Piano Furnace", op zich al een prachtig nummer. Maar een perfectionist als Henry stuurt het nog even naar Dublin om er Lisa Hannigan — vooral bekend door haar samenwerking met Damien Rice — nog een extra laagje over te laten zingen. Haar laatste plaat werd trouwens geproducet door Henry.

De gastvocalen in het bluesy "Sticks & Stones" staan niet tussen de muzikanten vermeld, maar klinken heel erg als Mavis Staples, niet toevallig ook een tevreden klant van Joe-the-producer. Bellerose vertaalt halfweg een epileptische aanval op drum en het zijn die constante details die er voor zorgen dat je als luisteraar niet indommelt. Wie er onze recensies op na leest, weet dat hij ondertussen gerust ’blind’ een album van Joe Henry kan aanschaffen, dat geldt dus ook voor deze Reverie. Dus zonder in herhaling te vallen: u weet genoeg!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × vijf =