Darius Jones / Matthew Shipp :: Cosmic Lieder

“DARIUS JONES. U hoort er nog van.” Zo sloten we in het najaar van 2009 de recensie van zijn fantastische debuut Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing) (KOPEN!) af, en gelukkig hoeven we die woorden nog niet in te trekken. Jones’ ster is rijzende en Cosmic Lieder laat horen dat hij naarstig verder bouwt aan een even divers als uitdagend oeuvre.

Opmerkelijk is vooral dat hij in elke omstandigheid toch erg goed zijn stempel op het geheel weet te drukken. Bij het Mara Rosenbloom Quartet (hun prima School Of Fish (2009) wordt steevast en onterecht over het hoofd gezien in de overzichten) liet hij een verrassend lyrische en traditionele kant horen, die weinig uitstaans had met de diep in de blues en gospel gewortelde free jazz van het debuut. Little Women, 90% kabaal en 10% schoonheid, zorgde met het verpulverende Throat voor een van de onwaarschijnlijkste oplawaaien van 2010 en ook Mike Prides Betweenwhile, met Jones constant balancerend op de grens tussen traditie en experiment, liet weer een ander facet van de altsaxofonist horen. Met Cosmic Lieder, een duoplaat met de immer boeiende pianist Matthew Shipp, is het weer prijs.

Die pianist is natuurlijk ook geen kleine figuur. Sinds z’n debuut in 1987 speelde de man zich snel in de kijker, was hij een vaste speelpartner van goed volk als William Parker en Mat Maneri en maakte hij zo’n twintig jaar deel uit van misschien wel het meest indrukwekkende moderne free jazzkwartet: dat van David S. Ware. De invloed van Shipp is meteen al duidelijk bij de futuristische cover en de titel (herinnerend aan zijn Cosmic Suite van een paar jaar geleden), terwijl een handvol vreemde songtitels verwant lijkt aan zijn door wetenschap geobsedeerde werk (zie ook: 4D, Phenomena Of Interference, Gravitational Systems, etc).

Enig opzoekwerk leert echter dat alle titels terug te voeren zijn naar de Amerikaanse stripcultuur. De meerderheid naar de superhelden en sci-ficomics van DC Comics, een aantal andere, zoals “Ultima Thule” en “Jonesy”, naar oubollig of klassieker werk van een paar decennia geleden. Alleszins ironisch als je de muziek ernaast legt, want die is nergens ook maar een beetje cartoonesk, verknipt of makkelijk verteerbaar. Het enige dat wél een verwantschap lijkt te hebben met die popcultuur, zijn de korte songlengtes: met een totaal van 13 songs en ca. 40 minuten hebben we hier te maken met een zeldzaamheid binnen de jazz en geïmproviseerde muziek.

Het duo lijkt hier immers te mikken op een originele tussenvorm die jazz, improvisatie en moderne klassiek in de blender gooit en vertaald wordt in stukken die even onvoorspelbaar als bevreemdend werken. Jones, die vaak het voortouw lijkt te nemen, krijgt doorgaans een platform om een reeks van kleine ideeën aan te voeren en uit te werken, terwijl Shipp ze van een reactie voorziet, vaak door het lage register in te duiken met een denderende linkerhand. De contrasten zijn rijk en verrassend, net als de vele indrukken en kleuren die doorheen de plaat lijken op te duiken.

Gaat het allemaal nog mooi en ingetogen van start met het mijmerende, maar schijnheilig luchtige “Bleed”, dan krijgt Jones’ geweeklaag een steeds intensere ondertoon en kruipt er snel een wrangheid in de muziek die vanaf de vierde track (“Multiverse”) compleet vrij spel geeft aan ongepolijste expressie. De saxofonist vuurt snelle, kronkelende lijnen af op z’n speelpartner, die rammelende akkoorden terugkaatst. Het is bloedrauw kliederend, scheefgetrokken, schijnbaar bezopen, in de herhaling vallend, een pijnlijke emotionele uitschieter in een gallerij van ongemakkelijk zittende miniaturen. Alhoewel: dat zou je dan weer het idee geven dat het hier gaat om schattige riedeltjes en meezingbare deuntjes met een hoek af.

Niets is minder waar: al deze ‘lieder’ lijken voor minstens een groot stuk ter plekke uitgewerkt. Ze zijn grillig, wispelturig en soms toch verrassend majestueus. Tijdens “Mandrakk” duikt Shipp in z’n piano om simultaan met Jones dreigende staccatostukken te spelen. “Black Lightning” dreigt even met een conventionele aanpak, maar het is vals alarm: het nummer verzandt al snel in een stekelig spel met Jones’ nerveuze riedels en kregelige uitvallen van Shipp. Afsluiter “Geh-Jedollah” lijkt dan weer volledig in zichzelf gekeerd, in gedachten verzonken en los te staan van z’n omgeving.

Shipp, van wie onlangs nog de livedubbelaar Art Of The Improviser verscheen, is opmerkelijk als altijd, maar het is toch Jones die hier gaat lopen met het gros van de aandacht. Voorlopig lijkt er nog geen maat te staan op ’s mans ideeëndrift. Hij heeft al een uiterst uitgebreid en herkenbaar vocabularium, maar is naarstig bezig om dat nog verder uit te bouwen door te oefenen in allerhande contexten en ook buiten de jazztaal inspiratie op te doen en te leren van de meesters. Aan dit tempo duurt het niet lang of hij zal zelf met die titel bedacht worden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier − vier =