Jason Adasiewicz :: Sun Rooms

Vraag een jazzfanaat hoeveel vibrafonisten hij kent en de kans is groot dat hij niet verder geraakt dan Milt Jackson en Bobby Hutcherson. Met een beetje geluk krijg je Gary Burton en Roy Ayers erbij. Het is dan ook een instrument dat, net als de mondharmonica of de dwarsfluit, slechts weinig specialisten kent binnen het genre. Een voordeel is natuurlijk dat je zo als jong talent wel veel kansen krijgt. Het zag er even naar uit dat Adasiewicz vooral een veelgevraagde sideman zou worden, maar voor de derde keer in goed twee jaar bewijst hij ook als leider z’n mannetje te kunnen staan.

Hij speelde met sleutelfiguren uit de Chicago jazz zoals Rob Mazurek (Exploding Star Orchestra), Mike Reed (Loose Assembly) en Ken Vandermark (Don Cherry Project), maar met Rolldown (2008) en Varmint (2009) liet hij ook horen als componist en leider te beschikken over een ruime bagage, die hem in staat stelde om zowel uit te pakken met aan de traditie refererende speelwijzen als met avant-garde uitspattingen. Liet hij een paar maanden geleden, tijdens het concert met Eric Boeren, Tobias Delius en Peter Evans in De Singer vooral z’n sardonische experimenteergezicht zien, dan valt op Sun Rooms op hoezeer hij er ook in slaagt om een ferm potje te swingen.

Het mooie is dat dit deze keer gebeurt in triocontext. De dag van vandaag valt de vibrafoon vooral in grote bezettingen en ensembles te horen, waarbij het instrument vaak aangewend wordt om extra textuur te geven, om die bedwelmende sfeer die het met zich meebrengt op te roepen. Binnen Rolldown wordt het soleerplatform nog gedeeld met blaaswerk, maar hier krijg je enkel de wisselwerking met de ritmesectie, alsof je een modern jazz quartet zonder piano te horen krijgt. Het is iets waar de man zich ook van bewust is en waar hij z’n stijl in de loop der jaren op heeft afgesteld. Gingen klassieke vibrafonisten als Hutcherson zelden echt ondersteunend te werk achter een solist, dan vervult Adasiewicz ook vaak een eerder harmonische rol, zoals een pianist dat zou doen.

De wisselwerking met drummer Mike Reed en bassist Nate McBride is alleszins eentje die vanaf de eerste compositie al goed zit: “Get In There” wordt voortgestuwd door een sterk thema, een strakke maar lichtvoetige swing van Reed en mooi aanvullend strijkwerk van McBride. Het is gretig, gespierd en virtuoos maar niet opschepperig. Doordat Adasiewicz oorspronkelijk een drummer/percussionist was, slaagt hij er bovendien in om het klankenpalet en de kenmerkende resonanties van het instrument sterk uit te breiden door het gebruik van verschillende slagtechnieken en -intensiteiten. Ondanks de eerder beperkende sound van zo’n vibrafoon krijg je daardoor toch voldoende variatie en contrastwerking, bv. tussen het ingetogen “Rose Garden” en de springerige opvolger “You Can’t”.

Het mooie is ook dat Adasiewicz er heel goed in slaagt om toch wel erg creatieve solo’s te integreren in songs die vrij toegankelijk zijn. De subtiele groovende ritmesectie slaagt er tijdens “Stake” zowaar in om te doen vergeten dat het nummer vrij complex in elkaar steekt, terwijl het lui voortrollende “Life” vooral een heel spontaan parcours lijkt te volgen. Die organische sound en stijl is meteen ook de grootste troef van het album, dat elegantie koppelt aan frisse ideeën. Het is wél een wat vreemde keuze om de drie aanwezige covers allemaal na de eigen stukken te plaatsen, alsof hij schrik had om een kwaliteitsverschil te krijgen tussen andermans en eigen werk.

Een integratie van die stukken zou alleszins mooi geweest zijn, aangezien ze alledrie heel uiteenlopende stijlen laten horen. “Off My Back Jack”, een eerder obscure compositie van pianist Hasaan Ibn Ali, was een favoriet van Max Roach en krijgt hier een abstracte(re) benadering, waarbij de groep de stilte opzoekt en een subtiel klankenspel laat horen. Sun Ra’s “Overtones Of China” voegt dan weer een bescheiden dosis exotica toe en laat iets dominanter drumwerk van Reed horen, terwijl afsluiter “Warm Valley” (Ellington) een prachtige, sierlijke kers op de taart is waarbij resoluut gekozen wordt voor een franjeloze, maar bloedmooie interpretatie. Het zorgt ook voor een sterk einde aan een plaat die verrassend gedoseerd, complexloos en vloeiend klinkt en muziek biedt die perfect bij zo’n titel past.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 1 =