The Sorcerer’s Apprentice




Misschien zegt het wel iets over de tijdsgeest, of misschien is
het gewoon stom toeval, maar de voorbije jaren schijnen filmmakers
niet meer in staat te zijn om simpelweg een escapistische
avonturenfilm te maken zonder er een hele mythologie aan op te
willen hangen. Elke maand komt er minstens één prent uit die
pretendeert een heel eigen versie van de wereld in elkaar te
flansen, met zijn eigen regels en wetten, met tovenaars, heksen,
trollen, goden en ga zo maar door. In de praktijk zijn al die
verschillende mythologieën meestal onderling inwisselbaar,
samengesteld uit dezelfde afgeleefde, totaal van inspiratie
gespeende ingrediënten, maar niettemin blijven ze uitkomen. De
‘Percy Jacksons’. De ‘Twilights’. De ‘Clash of the Titans’. De
‘Cirque du Freaks’. De ‘Narnias’. De ‘Golden Compass’en. Je kunt
blijven opsommen. Niet tevreden met de bescheiden ambitie om gewoon
een spannend jongensverhaal te vertellen, kondigen al deze films
zich aan als de aanzet van een lang epos, gesitueerd in een uit de
eigen duim gezogen universum. Er zijn ongetwijfeld veel mensen die
dat alles nooit moe worden, die een onbeperkte capaciteit hebben om
dat allemaal te blijven verwerken en te onthouden – net zoals heel
wat mensen van tien verschillende soaps kunnen zeggen wie het met
wie doet, kunnen ze van tien verschillende fantasy franchises
zeggen welk vreemd creatuur nu waar hoort en welke slechterik welke
bovennatuurlijke gaven bezit. Maar eerlijk: zelf heb ik lang
geleden al het punt van verzadiging bereikt wat dat betreft. En het
zal dan ook wel daardoor komen, dat ik me halverwege ‘The
Sorcerer’s Apprentice’ stilaan begon te vervelen. Ik had deze film
al gezien, al honderd keer zelfs, en de vorige 99 keer was hij ook
al niet zó interessant.

Jay Baruchel speelt Dave, een 20-jarige fysica nerd die
op een dag bezoek krijgt van Balthazar (Nicolas Cage, alweer
voorzien van een kapsel dat de wetten der logica behoorlijk tart).
Balthazar beweert een duizend jaar oude tovenaar te zijn die ooit
nog les heeft gekregen van Merlijn zelve, en in Dave herkent hij
the prime Merlinean, de laatste afstammeling van Merlijn.
Wat op zich niet zo heel veel uitmaakt, ware het niet dat Balthazar
al een millennium lang rondloopt met een matroesjkapop waarin de
geesten van een paar boze tovenaars opgesloten zitten. Onder hen,
de flamboyante Horvath (Alfred Molina) en überbitch
Morgana le Fay (Alice Krige). Alleen de prime Merlinean
kan de geesten in de matroesjka voor eens en vooral altijd uit de
wereld helpen. Maar niet voordat ze uit de pop ontsnapt zijn en
allerhande CGI-onheil hebben aangericht, natuurlijk.

Dat alles wordt ons gebracht door hetzelfde team dat eerder al
verantwoordelijk was voor de twee ‘National Treasure’-films:
regisseur Jon Turtletaub, megaproducer Jerry Bruckheimer en acteur
Nicolas Cage (die zo ongeveer om de vijf jaar een goeie film maakt,
en er eind 2009 één te pakken had met ‘The Bad Lieutenant’, wat dus
wil zeggen dat het weer wachten wordt tot circa 2014). ‘The
Sorcerer’s Apprentice’ is niet zo slecht als die twee vorige films,
voornamelijk omdat de actie niet elke vijf minuten wordt stilgelegd
voor een uiteenzetting over de grootse geschiedenis van wat we
duidelijk moeten aanschouwen als het beste land ter wereld. Maar om
nu te zeggen dat het trio echt grote vooruitgang heeft geboekt…
Nou, nee. Ik veronderstel dat het niet veel uitmaakt dat het hele
verhaal zich laat samenvatten als “er zijn goede tovenaars, en
slechte tovenaars, en die vechten tegen elkaar!”. Tenslotte is ‘The
Sorcerer’s Apprentice’ in eerste instantie gericht op kinderen, en
die moeten de plot makkelijk aan elkaar kunnen doorvertellen. Het
maakt niet uit dat zowat elke scène zichzelf ruim een uur op
voorhand laat voorspellen door iedereen die ooit twee films heeft
gezien. Dat de personages de diepgang hebben van een soepbord, dat
hoort nu eenmaal bij het genre, en dat de actiescènes zonder gevoel
voor ritme of choreografie in elkaar geflanst zijn: alla. Maar wat
echt tegensteekt, is het gebrek aan fantasie. Je hebt een film vol
tovenaars, doé daar dan iets mee! Toon ons iets spectaculairs,
iets… magisch. Maar nee, het enige dat Jon Turtletaub er mee weet
aan te vangen, is zijn personages vuurballen dan wel blauwe
energiekegels op elkaar af te laten vuren. En dat is het dan wel zo
ongeveer; zijn tovenaars lijken bijna baseballspelers.

Er zijn maar twee sequensen waarin er toch iets van
verbeeldingskracht tot op het scherm doorsijpelt – een actiescène
waarin een Chinese draak plots echt wordt (draken zijn nu eenmaal
cool), en een hommage aan het segment uit ‘Fantasia’ waaraan de
film zijn titel ontleend heeft. Dave brengt zwabbers en dweilen tot
leven om de boel op te ruimen, en verliest er de controle over, net
zoals Mickey Mouse, vele jaren geleden. Die scènes werken wel, maar
goed, het blijft een mager gemiddelde.

De acteurs lijken al evenzeer op automatische piloot te draaien
als de regisseur en scenaristen: Nicolas Cage slaapwandelt door de
film, terwijl Jay Baruchel een grensverleggend irritant stemmetje
gebruikt als Dave – denk aan de squeaky voiced teen uit
The Simpsons, die eeuwige jobstudent met het overslaand stemmetje,
die overal opduikt om de boel in het honderd te doen lopen. Dat is
min of meer Jay Baruchels prestatie in deze film. Alfred Molina
levert verreweg de beste prestatie als schurk Horvath – hij brengt
charme en een ironisch gevoel voor humor naar een rol die eigenlijk
beneden zijn waardigheid is.

Ja, ik weet het wel, het is een kinderfilm, en sinds wanneer
trekken kinderen zich iets aan van voorspelbaarheid of een gebrek
aan originaliteit? Sinds wanneer kan het hen iets schelen dat een
film is opgebouwd uit de nauwelijks opgewarmde kliekjes van andere
(en vaak betere) films? Wat geven ze er om dat er niet één
origineel idee in zit? I dunno, het zal vast wel niets
uitmaken. Over een paar weken zijn ze ‘The Sorcerer’s Apprentice’
alweer vergeten, en zitten ze enthousiast te doen over de volgende,
fel gehypete would be franchise.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − 2 =