Darius Jones Trio :: Man’ish Boy (A Raw & Beautiful Thing)

Een goede graadmeter om een boeiend van een uitzonderlijk artiest te scheiden is nagaan of je de ontdekking wil delen met anderen. Met echte ontdekkingen loop je te koop, wil je gehoord worden, geassocieerd worden. Onze boodschap luidt als volgt: Darius Jones is een monstertalent. Zijn debuut is een bom.

Nochtans is het geen overrompelend power trio dat hier aan het werk is. Jones is geen geweldenaar à la Peter Brötzmann of Mats Gustafsson, geen barricadenblazer die het gevecht met de begrenzingen van de muziek aangaat of een afmattende strijd aanbindt met z’n kompanen. En toch wordt de muziek op dit album begeesterd door een intensiteit van haast religieuze allure, een interne tweestrijd en een vurigheid die enkel kan komen van een man van de wereld, een rusteloze ziel die z’n instrument mee laat zoeken, ups en downs verkennen, uitbarsten in vreugde en janken van verdriet. Man’ish Boy trekt de kaart van de rauwe emotie op overdonderende wijze.

De 31-jarige Jones kenden we al van Little Women, een punk/jazz/noise-kwartet dat het vooral moet hebben van extraverte geluidsklierten, feedback en gitaargerammel. Op zijn debuut als leider laat Darius Jones zich van een andere kant horen, een meer soulvolle en genuanceerde. Het is dan ook een persoonlijk document, waarmee de altsaxofonist naar eigen zeggen een terugblik op zijn leven wil bieden. De man groeide op in Richmond, Virginia, de poort naar the Deep South, en de muziek is dan ook zo aards, geworteld in zijn roots en zo emotioneel als je zou verwachten. Nostalgie, blijdschap en het gewicht van het verleden gaan hand in hand.

Het helpt natuurlijk ook dat Jones zich laat bijstaan door twee veteranen, zestigers Cooper-Moore en Rakalam Bob Moses, die enerzijds niet hoeven onderdoen qua energie, maar die anderzijds ook niet fungeren als leermeesters voor een te zelfzeker of overenthousiast talent. Elke minuut op Man’ish Boy laat een volwassen artiest horen die beschikt over een indrukwekkend arsenaal aan mogelijkheden, imposante zeggingskracht en een hoogsteigen stijl. De invloed van voorgangers als Albert Ayler, Pharoah Sanders en David S. Ware is onmiskenbaar, maar ook niet meer dan dat: een invloed op een figuur die al volledig gevormd lijkt.

Bij dergelijke expansieve muziek is het moeilijk om ook niet Coltrane erbij te betrekken, maar dat lijkt hier minder gepast. De stijl van dat icoon was meer rigide, serieuzer, minder nauw verwant aan het volkse zoals Ayler dat ook was. Met opener "Roosevelt" laat Jones meteen horen hoe dicht aan het oppervlak die spirituele gospelinvloeden zitten. Het is alsof het kerkstof nog niet vervlogen is van z’n instrument, alsof de gebeden nog aan de hals van de sax kleven, alsof de strijd tussen lichaam en geest nog steeds plaatsvindt als een verscheurende beproeving waardoor het huilt én giert van extase.

Er staan stukken muziek op Man’ish Boy die een beproeving zijn. "We Are Unicorns" biedt weinig houvast terwijl Jones duelleert met Cooper-Moore, die alles uit de kast haalt om z’n diddley-bo, een eensnarig instrument dat klinkt als een elektrische bas met een percussieve bijklank, even excentrieke geluiden te laten maken als de leider. Even tegendraads is "Big Train Rollin’", een op dissonantie en dreigende chaos in het hoge register gestoelde exploratie, die uiteindelijk toch lijkt te berusten.

Maar voor elke dwarsligger krijg je ook een song of twee aangereikt waarin wél plaats is voor duidelijkheid, groove of memorabele thema’s. Luister bijvoorbeeld naar "Cry Out", dat start als een jankende klaagzang, maar plots een swingend ritme krijgt, waarbij Cooper-Moore z’n donderende linkerhand hen de blues instuurt en drummer Bob Moses rond het ritme tolt, accentueert en bijkleurt waar nodig. Of "Meekness", een elegische uitschieter waarmee Jones wel de fameuze intensiteit van Coltrane aandoet met geweldig effect.

Hoogtepunt is ongetwijfeld "Chasing The Ghost", een tumultueuze prestatie van drie meestermuzikanten: verbluffend om te horen hoe Jones de verschroeiende intensiteit blijft opdrijven en zijn kompanen een hectisch, wild ritme op poten zetten zonder de controle uit het oog te verliezen, met soul en spirit in overvloed. Afsluiter "Forgive Me" komt tenslotte bijna als een schok, een bloedmooie, onbeschaamd tedere ballad met gevoelig pianowerk en geweeklaag op sax waarbij haren ten berge rijzen. Het is de romantische kant van een man die niets te verliezen heeft, niet cool hoeft te zijn. En het is verbluffend in al z’n eenvoud — raw & beautiful, inderdaad.

Als bonus krijg je er nog een live-opname van een jaar eerder bovenop ("Chaych"), waarop Jones wordt bijgestaan door Adam Lane (bas) en Jason Nazary (drums). Maar eigenlijk is het tegen dan eigenlijk al lang duidelijk wat voor een album dit is. Man’ish Boy is een plaat van uitersten — van extase en verstilling, van blues en romantiek, van rumoer en schoonheid — al krijgen die wel allemaal vorm onder Jones’ coherente visie. Mocht het nog niet duidelijk zijn: het gaat hier om jazz, free jazz meerbepaald, maar net als de beste muziek is ook dit genreoverschrijdend. Dit is bovenal muziek gespeeld vanuit de onderbuik, maar met een groot hart. En dit is nog maar het debuut. Dus schrijf die naam even op: DARIUS JONES. U hoort er nog van.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien − dertien =