Pirates




Er bestaan twee soorten filmflops. De eerste is de meest
courante: een film wordt gemaakt, hetzij met een groot, hetzij met
een klein budget, en hoewel de marketingafdeling van de betrokken
studio het in alle toonaarden zal ontkennen, weet iedereen
eigenlijk al wel dat het een doodgeboren kind betreft. Denk maar
aan rommel als ‘Evan Almighty’. Zo’n films krijgen dan een pak
slaag van de critici, er gaat veel te weinig volk naar kijken en
daarna worden ze simpelweg vergeten. De tweede soort is veel
boeiender. Dit zijn de legendarische flops. Films die voor veel
geld en vaak onder moeilijke omstandigheden worden geproduceerd,
die al tijdens het maken sterk in de kijker staan in de pers en die
daarna meedogenloos zinken aan de box office. Vaak nemen
ze verwoeste carrières, reputaties en soms zelfs hele studio’s met
zich mee. ‘Cleopatra’ was er zo één. Kevin Costners ‘The Postman’.
De Eddie Murphy-stinker ‘Pluto Nash’. En ook Roman Polanski’s
‘Pirates’, wellicht de grootste misrekening uit de regisseur z’n
hele loopbaan.

‘Pirates’ werd geproduceerd tijdens de gloriedagen van Cannon
Films, een onafhankelijk productiehuis, opgericht door twee
flamboyante Israelische entrepeneurs, de neven Menahem Golan en
Yoram Globus. Na enkele profitabele B-movies te produceren in hun
thuisland, trokken Golan en Globus naar de VS, waar ze onder het
Cannon-label goedkope junk movies uitbrachten – vaak
minderwaardige sequels op succesvolle films waarvan ze de
rechten voor een prikje hadden kunnen krijgen. Bedenkelijke titels
als ‘Missing in Action 2’, ‘Delta Force’ en ‘The Last American
Virgin’ volgden. Cannon richtte zich voornamelijk op de VHS-markt
die op dat moment (vroege jaren tachtig) volop begon op te komen,
en gezien het beperkte budget waarmee ze hun films produceerden,
maakten de neven al gauw een aardige winst. Tussen al de B-movies
door, kochten ze zelfs de rechten op onafhankelijk geproduceerde
kwaliteitsfilms, zoals Barbet Schroeders ‘Barfly’ en Andrei
Konchalovsky’s ‘Runaway Train’. Golan en Globus waren twee
kleurrijke figuren, die er van genoten filmbonzen te zijn en zelfs
contracten neerschreven op servetten tijdens feestjes in Cannes. De
problemen kwamen er toen Cannon risico’s begon te nemen door ook
big budget-producties te produceren. Tobe Hoopers ‘Lifeforce’ was
een eerste peperdure flop, ‘Superman IV’ is nog steeds de meest
gehate film uit de hele reeks en over de He-Man film ‘Masters of
the Universe’ zullen we maar zwijgen. In een poging om wat
artistieke geloofwaardigheid te winnen, nam Cannon Films Roman
Polanski onder de arm, die al zo’n zes jaar lang niets meer had
geregisseerd (sinds ‘Tess’ in 1979), maar al wel een hele tijd
rondliep met het scenario voor een piratenfilm. Hij kreeg carte
blanche van Cannon – een avonturenfilm klonk immers commercieel
interessant terwijl de naam Polanski ook de meerwaardezoeker kon
lokken. Wat kon er mislopen? Heel wat, zo bleek. Het budget van
‘Pirates’ zwol op van 10 tot maar liefst 40 miljoen dollar, waarna
de critici het eindresultaat neersabelden en het publiek thuis
bleef. Het floppen van ‘Pirates’ droeg op zijn minst gedeeltelijk
bij aan de uiteindelijke ondergang van Cannon.

Dat alles is deel gaan uitmaken van het canon aan
Hollywoodlegendes. ‘Pirates’ is en blijft het zwarte schaap onder
Polanski’s films en is slechts met heel wat moeite verkrijgbaar op
dvd of video. Een Franse of Spaanse import is een optie, als u ‘m
dan toch wilt meepikken, maar eerlijk gezegd zou ik me de moeite
besparen. De kritieken waren immers niet onterecht – het verhaal
achter de film is heel wat boeiender dan de prent zelf.

De plot laat zich deprimerend snel vertellen: piratenkapitein
Thomas Red (Walter Matthau) heeft onder vage omstandigheden
schipbreuk geleden, samen met zijn sidekick, de jonge
Franse matroos The Frog (“frog” is een Engelstalige scheldnaam voor
een Fransman, ha-ha-ha). De twee worden gered door een Spaans
galjoen, dat een troon uit massief Azteecs goud vervoert. Captain
Red blijkt zowaar een fan te zijn van gouden tronen en brengt dan
ook een muiterij aan de gang om met het loodzware pronkstuk aan de
haal te kunnen gaan. Vervolgens beginnen alle personages ongeveer
twee uur lang druk over en weer te lopen, barsten er verschillende
gevechten los en krijgen we de ene komisch bedoelde set-piece na de
andere, zonder dat ook maar één van al die dingen echt doel weet te
raken.

De plot is een eerste groot probleem met de film: Polanski heeft
niet zozeer een volledig afgewerkt verhaal in handen, als wel een
premisse waar vervolgens niks mee wordt gedaan. Een piraat wilt een
gouden troon stelen – dat is geen slecht uitgangspunt voor de
eerste akte van een avonturenfilm, maar daarna moet er meer komen.
Er moeten interessante personages aan te pas komen, er moet
plotontwikkeling volgen, intriges… Maar al die dingen blijven op
een vreemde manier achterwege. ‘Pirates’ introduceert z’n
personages, brengt de basis van het verhaal op gang en blijft
vervolgens ter plaatse trappelen, zo’n twee uur lang. Er
gebeurt wel van alles en nog wat, maar niets dat echt een
fatsoenlijke intrige op gang brengt. De motivaties van de
personages blijven continu dezelfde: twee uur lang wilt Red gewoon
die stoel bemachtigen, terwijl anderen hem dat proberen te beletten
en the Frog loopt te smachten naar een schone mademoiselle die hij
ondertussen tegenkomt. En dat is het dan – de film heeft geen echte
evolutie in de plot, waardoor hij veel langer lijkt te duren dan
hij eigenlijk is.

Polanski is ook geen actieregisseur, wat pijnlijk duidelijk
wordt telkens wanneer de personages aan het vechten gaan. Hij
beweegt zijn camera zelden en monteert traag, zelfs naar de normen
van die tijd. Vergelijk Polanski’s lusteloze, slome actieregie hier
eens met wat Steven Spielberg zo regio 1985 in elkaar wist te
steken en je kunt niet anders dan vaststellen dat onze favoriete
Pool gewoon niet in de wieg is gelegd voor dit soort cinema.
Claustrofobische, onderhuidse paranoia-thrillers: ja. Piratenfilms:
nee. Het helpt overigens ook niet dat de speciale effecten,
ongeacht het buitenproportionele budget, soms echt treurig zijn om
naar te kijken. Tegen het einde van de film wordt één van de
personages aangevallen door een rubberen slang die niet zou hebben
misstaan in de films van Ed Wood.

De humor van de film is al even twijfelachtig: Polanski heeft
hier de neiging om tien keer op elke grap te blijven hameren tot er
echt geen greintje leven meer inzit. Walter Matthau die een rat
moet opeten, het kàn leuk zijn… In theorie. Maar bouw rond die
simpele gag een scène van vijf minuten en je hebt er al snel genoeg
van. Walter Matthau is overigens grandioos miscast als Captain Red:
de man had ten eerste al niet de fysiek om een piraat te spelen en
wordt bovendien verplicht om in een soort cockney-accent te spreken
dat ongeveer het effect heeft van een Antwerpenaar of West-Vlaming
die AN probeert te praten. De klanken zitten (soms) wel juist, maar
je wéét gewoon dat het een lichtjes oncomfortabele imitatie is.

‘t Is moeilijk om te zeggen waar Polanski met zijn gedachten zat
toen hij ‘Pirates’ maakte. Wat had hij precies voor ogen? Een
ouderwetse swashbuckler? Maar waarom dan al die mislukte
pogingen tot humor? Een zwarte komedie? Maar wat was er dan het
doelwit van? Wat het ook was, ‘Pirates’ mag gerust te boek blijven
staan als een bizar curiosum dat leuker is om over te schrijven dan
om naar te kijken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zeventien − 1 =