The Fortune Cookie







De namen Jack Lemmon en Walter Matthau worden
tegenwoordig zo vanzelfsprekend in dezelfde adem genoemd, dat het
makkelijk is om te vergeten dat die reputatie eigenlijk vooral
gebaseerd is slechts twee films: Billy Wilders ‘The Fortune Cookie’
uit 1966, en ‘The Odd Couple’ van twee jaar later. Wilders latere
projecten met het duo, ‘The Front Page’ en vooral ‘Buddy Buddy’,
waren minder succesvol, en daarna zou het nog duren tot in de jaren
negentig voordat de twee opnieuw gezamenlijk werden opgevoerd,
ditmaal juist om te incasseren op hun geschiedenis samen. In ieder
geval, of ze nu in goede of slechte films zaten, de tandem
Lemmon-Matthau werkte per definitie àltijd. De twee ontwikkelden
samen een komisch ritme dat doet denken aan twee topmuzikanten die
volledig op elkaar zijn ingespeeld, elkaar aanvullen zonder ooit in
de verleiding te komen elkaar te overtroeven.

Lemmon speelt Harry Hinkle, een cameraman die
tijdens een footballwedstrijd omver wordt gelopen door sterspeler
“Boom Boom” Jackson (Ron Rich). Harry mankeert in feite niks, maar
zijn schoonbroer, de corrupte advocaat Willie Gingrich (Matthau)
overtuigt hem om een zwaar rugletsel te faken en zo de
verzekering te tillen voor een miljoen dollar. Hinkle speelt het
spelletje mee, in de hoop dat zijn ex-vrouw (Judi West) uit
medelijden naar hem zal terugkeren.

Dat verhaal leent zich in principe perfect voor het
soort cynische humor waar Wilder bekend voor staat, en één van de
voornaamste redenen waarom ‘The Fortune Cookie’ destijds gezien
werd als een (relatief) “mindere” Wilder, is dan ook omdat hij
bewust terugdeinst voor een al te harde aanpak. Wilder wierp in
zijn komedies vaak vrolijk vernietigende blikken op het Amerikaans
kapitalisme, met de ranzige kantoorpolitiek in ‘The Apartment’, het
opportunisme van de journalistiek in ‘Ace in the Hole’ en zowaar
Coca-Cola in ‘One, Two, Three’ – allemaal Amerikaanse instituten
(letterlijk of figuurlijk) die genadeloos voor het geld gaan, en er
meestal mee weg komen. ‘The Fortune Cookie’ lijkt perfect in dat
lijstje te passen: ditmaal is het dan de beurt aan crooked
lawyers
en verzekeringsmaatschappijen. Maar… nee. Het is
niet dat ‘The Fortune Cookie’ een softe film is, maar het
cynisme wordt wel gemodereerd door een aantal personages die echt
van goede wil zijn. Om te beginnen Harry zelf, een typische goedzak
die zichzelf laat verleiden door zijn schoonbroer, maar vooral Boom
Boom Jackson, die zich zodanig schuldig voelt over het hele voorval
dat hij zichzelf door Harry laat gebruiken als meid van alle werk,
en tussendoor zelfs wat al te stevig in de drank vliegt. Die
laatste plotlijn, die bijna sentimenteel overkomt, verzacht de toon
van de prent aanzienlijk.

En niet alleen dat, maar ze voegt ook een
maatschappelijke dimensie toe aan ‘The Fortune Cookie’ die niet van
Wilders gewoonte was. Boom Boom Jackson, misschien wel het meest
sympathieke personage van de hele film, is namelijk zwart. De
meeste personages maken daar niet eens een opmerking over, tot een
venijnige privédetective hem ronduit uitscheldt voor coon
aan het einde van film, om Harry uit te lokken. Harry staat recht
en verkoopt de detective een mep. Met de uitzondering van
alcoholisme in ‘The Lost Weekend’, gebeurde het niet vaak dat
Wilder in zijn films rechtstreeks een sociaal probleem aankaartte,
zonder het uit te spelen voor zijn satirische waarde – er is niets
grappigs aan het racisme in deze film, zoals dat wél het geval is
met de hebzucht, de corruptie en de seksuele capriolen in zijn
andere prenten.

Los daarvan blijft ‘The Fortune Cookie’ absoluut
succesvol als een komedie. Het scenario, naar goede gewoonte
geschreven samen met I.A.L. Diamond, is iets trager van tempo dan
de doorsnee Wilderfilm, maar bevat meer dan genoeg vintage
dialogen om eender welke fan tevreden te stellen. Bepaalde scènes
worden zelfs geënsceneerd als mini-toneelstukjes binnen de film. De
sequens waarin Willie Harry overtuigt om mee te gaan in het bedrog,
is een segment van meer dan tien minuten, dat zich integraal in
Harry’s ziekenhuiskamer afspeelt. Wilder coupeert zo weinig
mogelijk, maar kiest er voor om met lange, eenvoudige wide shots te
werken, zodat de acteurs de scène in grote brokken kunnen
uitspelen. Het gevolg daarvan is dat Lemmon en Matthau hun komisch
ritme volledig natuurlijk kunnen laten ontwikkelen: omdat er niet
veel in de scène gemonteerd wordt, kunnen ze perfect op elkaar
inpikken en tegen elkaar in gaan. Lemmon was tegen die tijd al een
oudgediende van Wilder, en brengt zijn gebruikelijke energie en
menselijk naar zijn rol. In feite is het interessant om een acteur
als Lemmon, die normaal gezien zoveel gesticuleert en zo fysiek
acteert, voor een groot deel van je film te beperken tot een bed en
een rolstoel. Dat creëert een spanning die goed werkt voor zijn
rol. Matthau heeft dan weer de meest showy rol (en won er
een Oscar voor). Hij speelt Willie alsof hij er zelf van overtuigd
is dat hij meespeelt in een film noir (die regenjas en
hoed, die tough guy-manier van spreken, die gluiperige
handjes die nooit stil blijven), en dat overbodige sérieux
dat hij er aan toevoegt levert een enorm grappig contrast op.

Voor Billy Wilder zou ‘The Fortune Cookie’ het
einde van zijn hoogdagen betekenen. Zijn volgende, ‘The Private
Life of Sherlock Holmes’, was bedoeld als een ambitieus epos van
drie uur, maar werd door de studio verminkt tot een duidelijk
onafgewerkte prent van 125 minuten (hoewel ik hardnekkig blijf
volhouden dat zelfs deze bestaande versie nog een bijna-meesterwerk
is). En daarna was het vet grotendeels van de soep: het tijdperk
van het Nieuwe Hollywood brak aan, en Wilders films leken steeds
oubolliger, voorbijgestreefd. Niet noodzakelijk slécht, maar
gewoon… minder relevant. Zijn beste is ‘The Fortune Cookie’ niet,
maar het blijft een heerlijke komedie, en het begin van één van de
allergrootste acteerduo’s uit de filmgeschiedenis.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + 7 =