Towelhead




In 2007 deed Alan Ball, de scenarist van ‘American Beauty’ en
schepper van reeksen als ‘Six Feet Under’ en ‘True Blood’, de ronde
van de filmfestivals met zijn regiedebuut ‘Nothing Is Private’, een
pijnlijke satire over racisme in de voorsteden van de VS. Iedereen
draaide eens ongemakkelijk in zijn stoeltje bij het bekijken van
deze fabel vol seks met minderjarigen, verachtelijke ouders en
doorbloede tampons, en concludeerde al snel: ‘American Beauty 2’
it was not. Gevolg: de film, die ondertussen ook nog een
nieuwe titel kreeg, bleef een jaar op de planken liggen voordat hij
in 2008 eindelijk een bescheiden release kreeg in Amerika. Nog eens
een jaar later is het aan ons (hoewel je al goed moet zoeken om een
zaal te vinden waar hij speelt). En eerlijk? De prent bekijken is
begrijpen waarom het zo moeilijk was om ‘m te verkopen. Alan Ball
heeft hier immers een diep oncomfortabele film gemaakt die elk
mogelijk taboe aan flarden scheurt. Blijft er de vraag of hij dat
doet omdat hij effectief iets te vertellen heeft, of enkel omdat
hij de Amerikaanse goegemeente wil choqueren – épater les
bourgeois,
zoiets.

Het verhaal speelt zich af in 1990, tijdens de eerste
Golfoorlog. Summer Bishil speelt Jasira, een 13-jarig meisje van
Libanees-Amerikaanse afkomst, wiens ouders gescheiden zijn. Ze
woont bij haar moeder (Maria Bello), maar wanneer diens vriend haar
aanbiedt om haar schaamhaar te scheren (I kid you not),
beslist mama dat het misschien beter is om tijdelijk bij haar vader
in Houston te gaan wonen. Zo gezegd, zo gedaan, maar bij vader
Rifat (Peter Macdissi) is de situatie niet veel beter: wanneer ze
in een T-shirt aan tafel komt, blaft haar ouweheer dat ze “iets
fatsoenlijks moet gaan aantrekken”. Tampons mag ze niet gebruiken,
want dat is “voor getrouwde vrouwen” en wanneer ze naar huis komt
met een zwart vriendje, is dat al helemaal een doodzonde.
Ondertussen zorgt een stapel pornoboekjes ervoor dat ze haar
seksualiteit steeds heviger voelt opzetten (“I like
orgasms”
zegt ze, niet geheel onbegrijpelijk) en krijgt ze af
te rekenen met de avances van Travis (Aaron Eckhart), een
legerreservist die enkele huizen verderop woont en blijkbaar wel in
is voor een exotische 13-jarige.

Op die manier construeert Ball wellicht het meest bittere
coming of age-verhaal dat de mensheid de voorbije jaren
heeft gezien. Net als alle kinderen van haar leeftijd, moet Jasira
proberen om te gaan met haar puberteit en alle ongemakken die daar
bijhoren (ongemakken waar Ball zichtbaar door gefascineerd is – de
referenties naar menstruatie en het bijscheren van schaamhaar zijn
niet op één hand te tellen). Maar daar bovenop wordt ze ook nog
eens op z’n best verwaarloosd, en op z’n ergst misbruikt door zowat
iedereen in haar leven. Haar vader bijt haar verwijten toe bij
praktisch elke stap die ze zet, haar buurman misbruikt haar, haar
vriendje is enkel en alleen geïnteresseerd in seks en haar moeder
is zodanig egocentrisch dat ze van haar dochter enkel bevestiging
verwacht, zonder dat ze ooit iets teruggeeft. Zelfs het tienjarige
buurjongetje slingert haar regelmatig racistische koosnaampjes naar
het hoofd, inclusief towelhead, camel jockey en sand
nigger.
Jasira wordt al gauw iedereen z’n favoriete
slachtoffer. Zowat alle nevenpersonages projecteren hun eigen
angsten, vooroordelen en frustraties op Jasira en straffen haar er
vervolgens genadeloos voor. Het is een vorm van
zelfkastijding-via-een-ander.

Dat leidt tot een filmervaring die op z’n zachtst gezegd
“onprettig” is. Alan Ball duikt opnieuw in de onderbuik van de
suburbs, zoals hij dat al deed in ‘American Beauty’, maar
ditmaal vindt hij er maar weinig schoonheid. De poëzie van die
eerdere film, en de milde blik waarmee hij z’n personages toen
bekeek, zijn helemaal verdwenen. ‘Towelhead’ is harder, cynischer,
killer, ongenadig. Van de personages in ‘American Beauty’ begrepen
we dat ze niet slecht waren, maar gewoon erg ongelukkig. Die in
‘Towelhead’ deugen daarentegen voor geen meter. De enige
sympathieke personages, buiten Jasira, zijn een links-liberaal
koppel gespeeld door Toni Collette en Matt Letscher, die zien wat
er aan de hand is en Jasira proberen te helpen. Maar zelfs bij hen
kan Ball het niet laten om toch een paar steken onder water te
geven: ze bedoelen het goed, maar eigenlijk zijn ze ook een beetje
bemoeials en geitewollensokken. Oké, we horen hen sympathiek te
vinden (en dat doen we ook), maar tóch… In deze film mag niemand
ondubbelzinnig sympathiek zijn, blijkbaar moet er altijd een licht
corrupt geurtje rond hangen. Dat cynisme vergt lef, zoveel is
zeker. Wat ook zeker is, is dat Alan Ball zijn publiek een
ongemakkelijk gevoel wilde bezorgen en mission
accomplished
(Aaron Eckhart die zijn hand in Jasira’s slipje
stopt en die er achteraf met bebloede vingers weer uithaalt,
probeer maar eens om niét met je hoofd te schudden als je dat
ziet). Maar met al dat vond ik het mildere, meer hoopvolle
‘American Beauty’ veel zinvoller, en thematisch interessanter. Het
vergt een zeer delicaat talent om uit lelijkheid en cynisme toch
een film te maken die méér te bieden heeft dan enkele nihilistische
statements. Todd Solondz, regisseur van ‘Happiness’ en
‘Palindromes’, heeft dat talent. Alan Ball niet. Getuige daarvan
trouwens ook het zalvende einde, dat veel te laat komt om onze blik
op de personages nog te veranderen en bovendien niet echt past in
de toon van al wat daarvoor kwam.

Dat wilt niet zeggen dat ‘Towelhead’ geen kwaliteiten heeft –
Ball structureert zijn situaties perfect om ze toch maar zo gênant
mogelijk te maken. De scènes tussen Summer Bishil en Aaron Eckhart
zijn daar goede voorbeelden van: je ziet het liever niet, maar aan
de manier waarop het wordt opgezet, valt niets af te dingen. Ook
het camerawerk is erg goed: Ball heeft de gewoonte om zijn
personages in een hoek van het beeld te kadreren, waardoor een
groot deel van het scherm nagenoeg leeg blijft, wat op een
interessante manier hun isolement uitdrukt. En dan zijn er
natuurlijk de schitterende acteerprestaties. Summer Bishil brengt
de naïviteit van Jasira prima tot uitdrukking, Aaron Eckhart is een
perfecte slijmbal en Peter Macdissi is bewust irritant als
dominante vader, zonder ooit over de top te gaan. Er zit geen
zwakke schakel in deze cast, en God weet dat je dat voor dit soort
verhaal nodig hebt.

Vormelijk zit het dus wel goed, en geloof me, je kunt onmogelijk
je ogen van het scherm wegrukken eens het festijn aan pijnlijke
situaties dat deze film is, op gang is gekomen. Maar toch bleef ik
achter met de vraag wat Alan Ball ons nu precies duidelijk wou
maken. Dat een kind de emotionele en zelfs seksuele boksbal van
volwassenen kan zijn? Dat is zeker zo. Dat racisme universeel is
(de vader van Jasira is Libanees maar wilt niet dat zijn dochter
met een zwarte uitgaat)? Duely noted. Maar dat is niet
genoeg. Als een filmmaker mij twee uur lang laat kijken naar
personages waarvan je het merendeel een mep wilt verkopen, dan
verwacht ik toch net iets meer clou dan dat. Zoals het is,
krijg je de indruk dat Ball vooral wilde provoceren. Dat hij de
heilige huisjes die hij lichtjes liet wiegen met de wind in
‘American Beauty’, voor eens en vooral altijd omver wilde blazen.
En dat mag natuurlijk, maar dan volstaat het niet om naar het puin
van die huisjes te wijzen en te zeggen: “kijk eens, hoe
lelijk”.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + veertien =