The Rum Diary

Okay, you lazy bitch, I’m getting tired of
this waterhead fuckaround that you’re doing with ‘The Rum Diary’.
[…] All you are is a goddamn bystander, making stupid suggestions
and jabbering now and then like some half-bright kid with no money
and no energy and no focus except on your own tits.”

Ja, die Hunter S. Thompson, hij kon echt een
charmeur zijn als hij daar zin in had. Dit stukje vindingrijk
scheldproza stuurde hij in 2001 naar Holly Sorenson, een producente
voor Shooting Gallery, een onafhankelijke productiemaatschappij.
Shooting Gallery had de rechten in handen op Thompsons enige
fictieroman, ‘The Rum Diary’, maar na enkele jaren in
development hell was er nog steeds geen film in zicht en
Thompson… tja, die kon daar niet mee lachen. Niet dat zijn tirade
veel uithaalde; de beruchte zuipschuit en schrijver stierf in 2005
zonder ooit de filmversie te zien. Pas nu, nog eens zes jaar en een
resem valse starts later, is het er eindelijk van gekomen, niet in
een regie van Benicio del Toro, zoals eerst werd gespeculeerd, maar
wel van Bruce Robinson – een minder bekende naam, maar één die
beter geschikt is voor het bronmateriaal dan je misschien zou
denken. Robinson heeft immers jaren geworsteld met een
drankprobleem, en regisseerde in de jaren tachtig de
semi-autobiografische film ‘Withnail and I’ (checken die handel!),
een film die je, met een beetje goede wil, gerust
Thompsoniaans kunt noemen.

Johnny Depp speel Paul Kemp, een bezopen journalist
die in 1960 afzakt naar Puerto Rico om er een job aan te nemen bij
een luizig Engelstalig krantje, geleid door hoofdredacteur
Lotterman (Richard Jenkins). Aanvankelijk doet Kemp weinig meer dan
interviews afnemen met onnozele Amerikaanse toeristen die niet eens
hun hotel uit durven, omdat dat niet veilig is, maar van aan het
zwembad Puerto Rico echt prachtig vinden. Totdat de reporter wordt
aangesproken door Sanderson (Aaron Eckhart), een stinkend rijke
projectontwikkelaar die van plan is om een idyllisch nabijgelegen
eilandje te veranderen in een tourist trap. Langzaam maar
zeker wordt Kemp zich bewust van de vernielende invloed die de
gringo’s hebben op de economie en de natuur van
Zuid-Amerika, en hij trekt zijn conclusies: Sanderson en de zijnen
zijn Bastards, die met alle middelen bestreden moeten
worden.

De naam Johnny Depp is de enige die door de jaren
heen constant is gebleven in de getroebleerde ontstaansgeschiedenis
van ‘The Rum Diary’. Na zijn briljante vertolking van Raoul Duke
(een ander alter ego van Thompson) in Terry Gilliams culthit ‘Fear
and Loathing in Las Vegas’, leek er simpelweg geen andere keuze
mogelijk te zijn. Daarom is het ook belangrijk om te weten dat ‘The
Rum Diary’ geen vervolg (en ook geen prequel) op ‘Fear and
Loathing’ is, en dat Depp niet hetzelfde personage speelt.
Natuurlijk gaat het opnieuw om een soort manifestatie van Thompsons
persoonlijkheid, maar dan wel een hele andere. Paul Kemp is een
excentriekeling en een alcoholicus, maar in tegenstelling tot Raoul
Duke is hij niét krankzinnig en weet hij nog wat hij doet. Depps
vertolking is dan ook veel meer ingehouden, veel “normaler” dan die
in Gilliams film. Wat in zekere zin een opluchting is: Depp is een
uitstekend acteur, maar de laatste jaren heeft zij zich zo vaak
laten voorstaan op vertolkingen met een hoek af (of het nu Captain
Jack Sparrow was in de ‘Pirates’-films of Willy Wonka in ‘Charlie
and the Chocolate Factory’), dat het deugd doet om hem nog eens een
prent te zien dragen zonder dat hij beroep doet op tics. Jack
Sparrow is een typetje; Paul Kemp is een personage.

Dat is dus wat de film niét is. Wat je wel mag
verwachten, is een soms zeer geestige tragikomedie, met een aantal
humoristische scènes die nu al semi-klassiekerstatus verdienen: een
scène waarin Kemp auto moet rijden terwijl hij op de schoot van een
vriend zit, is effenaf hilarisch en Giovanni Ribisi heeft een
geweldige bijrol als Moburg, een collega-journalist die witch
doctors
bezoekt en om onduidelijke redenen platen met speeches
van Hitler heeft rondslingeren. Robinson heeft een goede komische
timing en weerstaat ook aan de verleiding om er een one man show
voor Johnny Depp van te maken. Een groot van zijn rol bestaat
eigenlijk uit reactieshots op wat de andere personages doen, en die
dynamiek werkt. Wanneer de film overschakelt naar zijn serious
mode,
gaat de lichte hand van de regisseur dan weer verloren.
De thematiek wordt er vaak wat al te didactisch in gelepeld: blanke
rijke stinkerds komen in drommen naar arme Zuid-Amerikaanse landen
om daar de natuurlijke rijkdommen schaamteloos leeg te plunderen en
hotels te zetten waar er vroeger jungle was. De plaatselijke
bevolking mag al lang blij zijn als ze voor een hongerloontje in
die hotels mogen komen werken, en voor de rest dienen ze gewoon hun
mond te houden. Dat zijn – ook nu nog – allemaal terechte
opmerkingen, maar Robinson gaat soms wat te drammerig te werk om
zijn punten duidelijk te maken.

Los daarvan blijft ‘The Rum Diary’ wel zo
consistent onderhoudend en geestig, dat het niet moeilijk valt om
je daar overheen te zetten. De bijrollen helpen: Michael Rispoli
heeft wellicht de sappigste rol als Kamps permanent benevelde beste
maat; Aaron Eckhart zet een aalgladde klootzak neer zoals we hem
dat al eerder hebben zien doen (denk maar aan ‘Thank You for
Smoking’) en Richard Jenkins is uitstekend als altijd. Amber Heard,
als love interest van dienst, heeft dan weer te weinig te
doen, buiten ten alle tijden zo fotogeniek mogelijk te zitten wezen
(hoewel ze die beroepsomschrijving op een indrukwekkende manier
invult).

‘The Rum Diary’ is niet de gedurfde, anarchistische
trip die Terry Gilliam destijds van ‘Fear and Loathing’ maakte. In
structuur, toon en tempo is hij conventioneler, veiliger. Maar het
blijft een bijzonder grappig, meeslepend ritje doorheen de jonge
jaren van Hunter S. Thompson, en je moet al een behoorlijke
bastard of whore zijn om daar niet van te kunnen
genieten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 + 9 =