Soeur Sourire




Kort voor de release van ‘Soeur Sourire’ zag ik in een
reclameblaadje een aankondiging voor een avant-première van de
film. De voorstelling stond blijkbaar enkel open voor senioren, die
achteraf werden getrakteerd op “koffie, gebak en een verassing
(sic)”. De verassing diende allicht om te vermijden dat de oudjes
achteraf illegale kopieën op het internet zouden smijten – die
filmverdelers zijn tegenwoordig tot alles in staat om piraterij
tegen te gaan. Anyway, het feit dat er zo’n vertoning
georganiseerd werd, voor uitgerekend dat doelpubliek, toont aan dat
de filmmakers en verdelers zelf óók wel wisten dat ze geen hippe
tienercinema in handen hadden. Waarvan akte. ‘Soeur Sourire’, de
jongste worp van baron-filmer Stijn Coninx, is absoluut een
verbetering tegenover ‘Verder dan de Maan’ (zijn vorige
fictiefilm), maar dezelfde verwijten die de regisseur voor zowat àl
zijn projecten naar het hoofd gesmeten krijgt, zijn ook nu weer van
toepassing: te braaf, geen tanden, geen lef.

Coninx had nochtans een geweldig uitgangspunt om mee aan de slag
te gaan: het verhaal van Jeannine Deckers, ook wel bekend als Soeur
Sourire, ook wel bekend als de zingende non die de kindertijd van
ondertussen twee generaties penetreerde met het nimmer af te
schudden Dominique, -nique, -nique (wédden dat u minstens
een uur na het lezen van deze recensie nóg zult zitten te
neuriën?). Een sappig verhaal, dat van nature dramatisch en
fascinerend is, maar dat hier toch op de één of andere manier wordt
gereduceerd tot een matineefilm voor zestigplussers.

Jeannine Deckers (hier gespeeld door een schitterende Cécile de
France) groeide in de jaren vijftig op in de bakkerij van haar
ouders in Waver. Daar ontwikkelde ze zich tot een rebelse puber,
die elke dag een ander wild plan had (“Ik ga naar Afrika!” “Nee, ik
ga kunst studeren!”) en continu overhoop lag met haar dominante
moeder en apathische vader. Uit onvrede met zichzelf en om haar
ouders te ontvluchten, trok ze in 1959 naar het Dominicaanse
klooster in Fichermont, nabij Waterloo. Daar had ze het
aanvankelijk moeilijk met de strenge kloosterregels, totdat de
Moeder-overste (Chris Lomme) haar toeliet om schooljongeren op
retraite te begeleiden. De liedjes die ze voor de jongelui speelde
op haar gitaar, trokken de aandacht van de kerkleiding, die haar in
contact brachten met het platenlabel Philips. Onder de
artiestennaam Soeur Sourire mocht Jeannine haar zelfgeschreven
liedje ‘Dominique’ opnemen. Het nummer werd een wereldhit waar
zelfs Elvis en The Beatles niet van terug hadden, maar alle
opbrengsten gingen naar het klooster. Zelf kreeg Jeannine geen
frank. In de vroege jaren zestig verliet ze Fichermont, in de
veronderstelling dat de wereld zat te wachten op de volgende plaat
van Soeur Sourire, maar dat pakte anders uit. Ze mocht de naam
waarbij de wereld haar kende niet meer gebruiken, werd verplicht om
de belastingen te betalen op de inkomsten van ‘Dominique’ (die ze
dus nooit had gekregen) en werd ook geout als lesbienne toen ze
gefotografeerd werd met haar vriendin Annie Pécher – iets dat toen
nog een enorm probleem vormde. Jeannine belandde in de
marginaliteit, kreeg af te rekenen met psychologische problemen en
verslavingen aan drank en pillen, en pleegde midden jaren tachtig
zelfmoord, samen met Annie.

Geef toe, als pitch kan dat tellen: zingende non treedt
uit, wordt lesbisch, raakt verslaafd aan vanalles en maakt zich van
kant. Of ze nu religieuze liedjes zong of niet, dat is behoorlijk
rock ‘n roll. Maar rock ‘n roll is nu eenmaal niet Stijn Coninx z’n
stijl. Hij gaat de sensationele aspecten van het verhaal zo veel
mogelijk uit de weg om van Jeannine een tragische figuur te maken,
die haar hele leven lang eigenlijk een groot kind is gebleven, dat
zocht naar liefde maar overal werd afgewezen en uitgebuit. Haar
ouders hebben haar nooit begrepen en wilden enkel dat ze de
bakkerij overnam, de kerk ging met haar centen lopen en ook haar
latere vrienden en managers lieten haar in de steek. Jeannine, die
zich niet kon behelpen in de wereld van gemene volwassen mensen,
was hulpeloos verloren. Nu goed, dat is een interpretatie van een
historische figuur en net zoals iedereen heeft Coninx daar recht
op. Maar het valt haast niet te ontkennen dat zijn visie een sterk
geromantiseerde versie van de echte Soeur Sourire is – het
egocentrische karakter dat algemeen bekend is, komt hier nauwelijks
aan bod omdat de regisseur haar in een slachtofferrol wil dwingen.
Haar lesbische relatie wordt met fluwelen handschoenen aangepakt –
er wordt uitdrukkelijk gezegd dat ze niet samen slaapt met Annie
Pécher, zelfs nadat ze samen een huis hebben laten bouwen. Haar
zorgen met de belastingen worden grotendeels overgeslagen en ook
haar zelfmoord wordt in beeld gebracht als een romantische, haast
idyllische daad. (Het helpt ook niet dat Coninx de dood van
Jeannine en Annie zo’n tien jaar te vroeg situeert, klaarblijkelijk
omdat hij geen zin had om alle miserie uit de late jaren zeventig
en vroege jaren tachtig ook nog eens in beeld te brengen.)

Op die manier krijg je een film die te zeer aanvoelt als een
verbloemde “kinderen toegelaten”-versie van het echte verhaal. Het
zal Coninx wel sieren dat hij zich niet wentelt in de vunzige
details van de hele affaire, maar door de kleine kantjes van
Jeannine’s karakter en de donkerste periodes uit haar leven met de
mantel der liefde te bedekken, eindigt hij met een film die
intensiteit en dramatiek mist. Om het simpel te zeggen: als je het
lef niet hebt om de werkelijkheid te verfilmen, waarom begin je er
dan aan?

Zoals het is, krijgen we een prent die zeker en vast degelijk
gemaakt is: de jaren zestig worden knap tot leven gewekt met
decors, rekwisieten en kostuums die àf zijn (nonnen in een
Volkswagenbusje, dat zal altijd grappig blijven). Het tempo zit er
vrij goed in en het hele verhaal is keurig opgebouwd. Ook de
acteerprestaties zijn prima, met Cécile de France in een glansrol
als Soeur Sourire zelve. Ze gaat nooit over the top, staat nergens
nadrukkelijk naar erkenning te hengelen, maar weet wel op een
indrukwekkende manier de wanhoop van het personage op te bouwen
over de loop van de film. Chris Lomme is even goed als altijd, en
weet hiermee de bittere nasmaak van ‘Christmas in Paris’ een beetje
door te spoelen. In kleinere bijrollen krijgen we namen als Filip
Peeters en Jan Decleir, die hun beste Frans bovenhalen en steeds
geloofwaardig weten te zijn.

Dat zit dus allemaal wel oké – Stijn Coninx kan filmen, hij weet
hoe hij een professioneel product moet maken met alles er op en er
aan. Maar hij heeft zo consequent alle weerhaakjes uit het verhaal
verwijderd dat hij achterblijft met een film die nergens naar de
keel grijpt. In zijn pogingen om niemand voor het hoofd te stoten,
heeft hij een prent gemaakt die ook niemand echt zal raken. Of het
moesten die senioren al zijn, maar die worden achteraf toch verast,
dus wat kan het hen schelen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vier × een =