Star Trek




We zullen het maar meteen toegeven: met de originele ‘Star Trek’-reeks hebben wij ongeveer even veel uitstaans als Vin Diesel met de gemiddelde cursus bloemschikken. Nougatbollen, dus. Een stel houterige acteurs in afgewassen pastelpakjes die in een studio dingen staan te roepen à la ‘de blargon-ionen hebben ons geraakt in sector 7-C!’ terwijl het decor vrolijk heen en weer wordt geschud: het leek ons allemaal een beetje bespottelijk. Sinds afgelopen woensdag is daar echter verandering in gekomen. Als het ons nu ter ore komt dat we moeten overschakelen op evacuatieplan Delta-5 of dat er Klingons op de loer liggen in de alfakwadrant, dan lopen wij gezwind naar de dichtstbijzijnde koffiezetmachine, om als een bezetene op de ON-knop te beginnen rammen en tussendoor zinnetjes als ‘beam me up, Scotty!‘ naar de parlofoon te brullen. De reden voor die ommezwaai is – wat anders? – de hoogst vermakelijke en stijlvol in beeld gezette reboot van Hollywood’s golden boy J.J. Abrams. ‘Boldly’ gaan waar ‘no man has gone before’ is dit allang niet meer, maar een platgetreden pad rook zelden zo fris.

Na een knappe proloog en de obligate shazam!-introductie van Kirk – beide scènes zijn al adrenalinestampers van formaat – nemen we ook een kijkje bij de kleine Spock en zien we de twee toekomstige vrienden hun eerste stappen zetten bij de glorieuze ‘Starfleet’. Doorheen het eerste uur van de film krijgen we voortdurend jonge versies van oude bekenden te zien, zoals Leonard ‘Bones‘ McCoy, Montgomery Scott, Uhura, Hikaru Sulu en Pavel Chekov, waarbij iedereen – maar dan ook echt iedereen – zijn of haar gloriemomentje en/of coole oneliner krijgt, bij wijze van kickass-introductie. Het is alsof de makers ons telkens een stevige por in de ribben geven, om even te zeggen, ‘yup, we zijn vertrokken, hé jongens!’ Voor de fans ongetwijfeld smullen, maar ook voor de rest best leuk, aangezien deze momentjes met genoeg humor zijn aangekleed om niet te storen en tevens perfect ingebouwd zitten in de rest van het verhaal – dat overigens aan een helse rótvaart voorbijscheurt.

Waar de originele reeks vooral stroef en traag was, is de nieuwe versie flitsend en dynamisch, zonder daarom te beroepen op een opgefokte ADHD-montage. De afwikkeling verloopt snel, met een geweldig getimede afwisseling tussen scènes die emotionele opbouw suggeren en snoeiharde ruimteactie. Meestal zelfs een combinatie van die twee. Het moet duidelijk vooruitgaan en Abrams maakt er een punt van om de oude franchise aantrekkelijk te maken voor een nieuw publiek, zonder daarom de oude formule te verloochenen. Zijn paradepaardjes – een episch sfeertje, monsterachtige creaturen, zwangerschappen, stoere personages met kleine hartjes, een strakke visuele stijl met een inhoudelijke nadruk op emotie en karakterontwikkeling, de uitwerking van een soort mythologie en gefoefel met het tijd-ruimtecontinuüm – zijn hier weer volop aanwezig. Hoewel de stempel van Abrams duidelijk merkbaar is, laat hij genoeg ruimte open voor wat humor – de running gag met Kirk en de spuit is erg leuk – en hersenloze actie, zodat het allemaal nooit te serieus wordt.

De plot zelf heeft misschien wat twists die niet iedereen zal kunnen smaken, maar zit in feite nog redelijk goed in elkaar voor zo’n grootschalige sci-fi productie. Het enige dat na een tijdje wél gaat storen, is de slechterik van dienst – Eric Bana in ultra evil mode. Dat een schurk uit de ruimte niet bepaald genuanceerd wordt vormgegeven, is meer plus- dan minpunt (laat hem nog maar eens kwaadaardig bulderlachen!), maar hier is ie gewoon zo kleurloos dat hij niet de minste dreiging uitstraalt. Hij koestert wrok tegenover Spock om onbekende redenen (even lijkt dat het centrale mysterie van de film te worden), maar het hoe of waarom slaat eerlijk gezegd nogal tegen. Ofwel speel je een serieuze slechterik en dan doe je dat beklemmend, ofwel ga je resoluut voor de B-stijl en dan mag het iets uitbundiger. Bana valt ergens tussen de twee categorieën in, met als resultaat een saaie vertolking die héél wat sappiger had gemogen.

De rest van de cast doet het dan weer verrassend goed. Er staan hier wel wat veredelde B-acteurs op de affiche – Zachary Quinto, Karl Urban en John Cho bijvoorbeeld – en ook Brits komisch talent Simon Pegg leek op voorhand een ietwat vreemde keuze, maar kijk, iedereen vervult zijn taak op meer dan behoorlijke wijze. De verschillende comic relief characters passen goed in het licht-komische toontje dat de film zo aangenaam maakt om naar te kijken – weg met de oerserieuze bombast van Peter Jackson – en qua screen time komt elk personage mooi aan bod. Quinto heeft zijn vertolking van Sylar in ‘Heroes’ lichtjes aangepast om de op het eerste zicht emotieloze Spock gestalte te geven en hij doet dat heel straf, vooral op de momenten dat hij onderdrukte gevoelens moet spelen, maar dé ontdekking van de film is zonder twijfel Chris Pine. Met zijn zeepsmoel vreesden wij even voor een tweede Hayden Christensen-incident (ja ja, ‘Attack of the Clones’, het was toch even schrikken), maar gelukkig heeft Pine zowel het talent als het charisma om de film zonder problemen te dragen.

Oké, de CGI-afdeling draait soms op zo’n hoog toerental dat ze bijna tilt slaat, een echte grand finale is er spijtig genoeg niet en het lijkt allemaal verdacht veel op – durf ik het zeggen? – ‘A New Hope’, maar wat zou het. De film is visueel enorm strak – nooit gedacht dat gevechten met starship cruisers séxy konden zijn – en heeft inhoudelijk genoeg drive om te kunnen blijven boeien. Ze gaan in de zomer nog met straffe dingen mogen afkomen, of dit zou wel eens de blockbuster van het jaar kunnen worden. Voor één keer zouden wij het – met dezelfde cast & crew – ook niet erg vinden om de franchise uitgebouwd te zien worden. Meer nog, wij hebben al zin in de sequel. Met een degelijke villain, nóg van dit soort actie en stunts en méér quotes als ‘Damn it, man! I’m a doctor, not a physicist!’ nemen wij nú al plaats op de eerste rij. Zullen we dan maar? Beam us up, Scotty!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − 2 =