The Man Who Knew Too Much

Wanneer regisseurs jaren na hun dood nog steeds herinnerd worden
door een groot publiek, is dat meestal omdat ze ofwel een unieke
artistieke stem hadden die niet makkelijk vergeten kan worden (denk
maar aan de Stanley Kubricks of Akira Kurosawa’s van deze wereld),
ofwel omdat ze zo’n grote commerciële impact hadden dat ze de
filmindustrie mee hielpen bepalen. Alfred Hitchcock valt duidelijk
in die tweede categorie. Met de meeste van zijn films had hij maar
weinig artistieke ambities buiten zijn publiek een paar thrills te
bezorgen, maar daar was hij zo goed in, en hij was ook consequent
zo commercieel succesvol, dat hij het genre van de thriller mee
hielp definiëren. Hitchcock wilde geen kunst maken, maar een
product dat zo goed mogelijk was afgestemd op de wensen van het
publiek, opdat het rendabel zou zijn. Vanuit die mentaliteit is het
ook geen wonder dat Hitchcock enkele van zijn vroege, Britse films
later voorzag van een Amerikaanse remake. ‘The Man Who Knew Too
Much’ is er zo één: oorspronkelijk gemaakt in 1934 in
Groot-Brittannië, beschouwde Hitch de originele film als een halve
mislukking, met evenwel een ijzersterke premisse. Meer dan twintig
jaar later gebruikte hij zijn extra ervaring, zijn extra expertise
en vooral zijn extra financiële geloofwaardigheid om een high
profile
remake te maken met James Stewart en Doris Day. Het
resultaat wordt tegenwoordig beschouwd als een genietbaar
tussendoortje in Hitchcocks canon: leuk om naar te kijken, maar ook
zeker niet één van zijn meesterwerken – wat ook wel ongeveer klopt.
‘The Man Who Knew Too Much’ is lang niet memorabel genoeg om naast
‘Vertigo’ of ‘Rear Window’ te kunnen staan, maar biedt wel alle
basisgeneugten van een klassieke Hitchcock: een plot vol baarlijke
nonsens die net aanvaardbaar genoeg worden gemaakt om er in mee te
kunnen gaan, een all American protagonist die plots in een
ingewikkeld complot terecht komt en natuurlijk een lang uitgerokken
finale.

Stewart en Day spelen Ben en Jo McKenna, een echtpaar dat samen
met hun zoontje Hank op vakantie is in Marokko. Op een bus maken ze
schijnbaar toevallig kennis met Louis Bernard, een Fransman die
onder het mom van een sympathiek gesprek opvallend veel vragen aan
hen stelt. De volgende dag wordt Bernard vermoord in het midden van
een marktplein in Marrakech. Stervend, een mes in zijn rug,
strompelt hij naar Ben toe om hem zijn laatste woorden toe te
fluisteren: er zal een diplomaat vermoord worden in Londen. Na de
moord worden Ben en Jo naar het politiebureau gebracht voor een
verklaring, maar nog voor die kan worden afgenomen, krijgt Ben
telefoon: een onbekende man heeft hun zoontje ontvoerd. Als Ben aan
de politie onthult wat Louis Bernard hem heeft verteld, zal de
kleine Hank het niet overleven.

Dat is natuurlijk de archetypische Hitchcock-plot: een
onschuldige man raakt betrokken in buitengewone omstandigheden
omdat hij a) iets te horen krijgt dat hij niet had mogen weten, of
b) aanzien wordt voor iemand die hij niet is. Het verhaal van ‘The
Man Who Knew Too Much’ is dan ook weinig opmerkelijk in het oeuvre
van de regisseur, en wordt ook ongeloofwaardiger naarmate het
verhaal verder gaat. Het is natuurlijk belangrijk dat Ben en Jo de
politie er buiten houden – als kijkers willen we James Stewart de
zaak zelf zien oplossen, we willen niet dat de één of andere
anonieme flik zich ermee komt bemoeien – maar om dat aanvaardbaar
te maken, moet die beslissing wel goed gemotiveerd worden. In dit
geval echter, bieden de authoriteiten Ben en Jo continu hulp aan –
de Franse politie, zelfs de Britse geheime dienst staan te springen
om hun zoontje te mogen gaan zoeken – maar het Amerikaanse koppel
weigert omdat… Tja, waarom eigenlijk? Hitchcock wilt van Ben en
Jo typische eenzame helden maken, een koppel tegen onoverkomelijke
machten die hen dreigen te overweldigen, maar er is eigenlijk geen
goede reden waarom ze de overheid niet zouden inschakelen.
Tenslotte is de kans dat de kleine Hank vermoord wordt net zo groot
wanneer Stewart en Day zelf beginnen rond te neuzen in de hele
affaire.

Naar het einde toe laat dat zich steeds sterker voelen: de
politie is te afwezig, te dociel. Al die barrières waar mensen
onder deze omstandigheden op zouden botsen, zijn ofwel afwezig,
ofwel al te makkelijk overwonnen. Niet dat het Hitchcock daarom te
doen is, natuurlijk: hij gebruikt zijn film, zoals wel vaker,
louter als een vehikel om suspense te genereren. En dat lukt hem
regelmatig wonderwel: let op de scène waarin Stewart voor het eerst
telefoon krijgt van de ontvoerder. Hij houdt zijn stem kalm en zijn
gezichtsuitdrukking is er één van ingehouden spanning. Maar dan
geeft Hitchcock ons een close-up van zijn vingers, die nerveus met
de blaadjes van een telefoonboekje spelen. Wanneer de hoorn wordt
ingehaakt, stoppen zijn vingers. Het zijn dat soort details die van
een banale scène een bloednerveus stukje cinema kunnen maken. En
dan is er natuurlijk nog de finale in de Albert Hall: tijdens een
opvoering zal er een moordaanslag gepleegd worden, en Hitchcock
laat heel deze sequens, die ongeveer tien minuten duurt, zich
uitspelen met enkel de muziek op de soundtrack. De personages lopen
over en weer, praten zelfs tegen elkaar, maar we horen geen
dialogen of geluidseffecten – alleen de muziek. Het is pas wanneer
Doris Day een gil slaakt op het moment van de aanslag, dat de
normale omgevingsgeluiden terugkeren. Da’s een ongelooflijk
effectief gebruik van de soundtrack, dat ons opnieuw een
randje-van-je-stoel ervaring oplevert.

De relaties tussen de personages in Hitchcocks films zijn vaak
een verwaarloosde troef – mensen gaan er te snel van uit dat zijn
prenten volledig plotgericht zijn, zonder dat er interessante
mensen in rondlopen. Wie ‘Vertigo’ of ‘The Birds’ heeft gezien,
weet beter, en ook hier borrelen er een paar interessante kwesties
onder de oppervlakte. Enerzijds is er het subtiele racisme van de
vroege scènes in de film: Ben en Jo zijn op bezoek in Marokko, maar
bedienen zich van een typisch westerse neerbuigendheid tegenover de
cultuur waarin ze zich bevinden, inclusief gesluierde vrouwen en
het eten met de handen. Hitchcock buit die situatie uit om er humor
uit te puren, maar de hoofdpersonages worden wel snel en efficiënt
voorgesteld als gezapige Amerikanen die plotseling heel resoluut
uit hun comfort zone worden gehaald: ze kennen het hier
niet, ze snappen de wereld niet waarin ze nu verblijven. Ook het
huwelijk tussen Ben en Jo is boeiend: ze zijn gelukkig getrouwd en
naar de buitenwereld toe het perfecte koppel, maar Jo heeft wel
haar zangcarrière voor hem moeten opgeven en ergens pikt dat nog
steeds. Er is ook iets pervers aan de manier waarop Ben zijn vrouw
aanvankelijk niets vertelt over de ontvoering tot ze terug in het
hotel zijn. Hij dwingt haar een kalmeermiddel te slikken en dàn pas
zegt hij haar dat hun zoon verdwenen is. Hitchcock laat het nooit
zo ver komen dat het koppel zich tegen elkaar keert (hoewel dat de
film beslist nog interessanter had kunnen maken, dééd je dat gewoon
niet in 1956), maar er broeit wel iets.

De nevenplot van Jo’s zangcarrière was een toegeving van de
filmmakers naar Doris Day toe, die in elke film waarin ze
meespeelde een liedje moest kunnen zingen – in dit geval de
klassieker ‘Que Sera, Sera’. Hitchcock en scenarist John Michael
Hayes vinden hier dus een manier om die zakenverplichting te
verwerken in de achtergrond van de personages en zelfs de resolutie
van de plot.

Er zitten dus heel wat knappe dingen in ‘The Man Who Knew Too
Much’: bepaalde suspensescènes werken nog steeds, James Stewart en
Doris Day zijn meer dan degelijk in de hoofdrollen en de personages
zijn interessanter dan je op het eerste zicht zou denken. Maar het
verhaal is te voorspelbaar en te ongeloofwaardig om hier een
eersteklas-Hitch van te maken.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − negen =